Sommige dingen krijg je in Nederland niet in de
publiciteit. Al heb je er nieuws over dat normaliter een minister zijn kop zou
kosten, al bel je de redacties van alle grote landelijke kranten en mail je met
de grootste volharding alle actualiteitenrubrieken en alle mogelijke instanties
met invloed op het betreffende terrein: in pers en media blijft het stiller dan
op een ondergesneeuwd kerkhof. Politieke partijen - ook die van de oppositie -
geven in grote meerderheid niet thuis. Vakbonden blijken niet geïnteresseerd.
Advocaten verklaren je in bedekte termen voor gek als je hen verzoekt eens naar
de juridische aspecten van de kwestie te kijken. Het lijkt of een onzichtbare
hand ervoor zorgt dat de zaak niet in het nieuws komt of anderszins aandacht
krijgt. Aanvankelijk kun je het haast niet geloven, maar de aanwijzingen
stapelen zich meer en meer op: politiek, pers, media, vakbonden, rechters: alle
lijken samen te spannen in één groot
complot van stilzwijgen ter bescherming van wat klaarblijkelijk een
gemeenschappelijk belang is.
De
zaken die getroffen worden door deze geheimzinnige censuur liggen gewoonlijk op
sociaal-economisch vlak. Ze hebben als overeenkomst dat zwakke groepen in de
samenleving er de dupe van zijn. Groepen die ongeorganiseerd zijn, niet
beschikken over een podium van waar af zij de publieke opinie kunnen
beïnvloeden en evenmin machtsmiddelen als stakingen of wegblokkades tot hun
beschikking hebben, waarmee zij uit protest 'gansch het raderwerk' kunnen
stilzetten.
Een
duidelijk voorbeeld van het ingrijpen van deze onzichtbare hand was de
afgelopen jaren te zien in de berichtgeving rond de 'hervormingen' in de WAO.
Over de vaak schrijnende gevolgen hiervan verschenen slechts mondjesmaat
berichten in de pers, die meer geïnteresseerd bleek in de laatste hypes. Over
het gesjoemel waarmee dit beleid tot stand is gekomen werd helemaal gezwegen.
Op oproepen van getroffenen om aandacht te besteden aan het hun aangedane
onrecht werd, zoals zeer recent nog door de redactie van het televisieprogramma
De leugen regeert, afwijzend
gereageerd.
Actualiteitenrubrieken
op radio en televisie gedroegen zich als spreekbuizen van en lofzangers op de
regering. Hun reportages droegen het karakter van lange reclamespotjes voor het
beleid van het ministerie en uitkeringsinstantie UWV: terwijl in werkelijkheid
mensen die onmogelijk konden werken arbeidsgeschikt werden verklaard en soms
wanhoopsdaden begingen als gevolg van het inhumane beleid, zagen we in deze
spotjes louter blije gezichten van overoptimistische uitkeringsgerechtigden die
juichend aan hun reïntegratie in de arbeidsmarkt begonnen.
Ook
droegen de actualiteitenprogramma's actief bij aan een negatieve beeldvorming
van de gedupeerden. In de reportages van de commerciële omroepen waren
geportretteerde WAO-ers gewoonlijk asocialen. Netwerk en Nova
prefereerden het beeld van aanstellers met ridicule kwalen. In de Nova-uitzending van 7 april vorig jaar
bijvoorbeeld leed een geportretteerde arbeidsongeschikte aan een
'parfum-allergie'.
In
interviews met de verantwoordelijke bewindslieden bleven kritische vragen
meestal uit. Toen minister De Geus op 19 maart 2006 werd geïnterviewd op Radio
1, was de scherpste vraag die hem werd gesteld die naar zijn favoriete voetbalclub
(het vraaggesprek werd namelijk, zoals gebruikelijk op deze publieke zender,
voortdurend onderbroken door een sportverslaggever die de luisteraar op
opgewonden toon op de hoogte hield van het verloop van een of andere
voetbalmatch - dat is per slot van rekening pas echt belangrijk).
Journalisten
geneerden zich er zelfs niet voor openlijk te laten blijken dat ze wel erg
goede maatjes waren met de ondervraagde bewindslieden. Zo zat op 6 april 2006
NCRV-verslaggever Frank du Mosch in het middernachtelijke Radio 1-programma Casa luna gezellig biertjes te drinken
met staatssecretaris van Sociale Zaken Van Hoof (VVD), die door hem werd
getutoyeerd en - tussen de plaatjes met jeugdsentiment die Du Mosch voor hem
ten gehore liet brengen - voor de zoveelste maal zonder enige tegenwerping het
hardvochtige regeringsstandpunt mocht uitdragen.
Dat
de journalistiek in Nederland niet onafhankelijk is, is geen nieuwe
constatering. Enkele jaren geleden meldde het KRO-programma Reporter
- dat zich hiermee een witte raaf betoonde en hiervoor een beroep op de
Wet Openbaarheid van Bestuur (WOB) en de rechter had moeten doen - dat deze beroepsgroep op grote schaal
bijkluste bij ministeries en zgn. openbare bestuursorganen (zoals bijvoorbeeld
het UWV). Het betrof zowel journalisten van de schrijvende pers als makers en
presentators van radio- en televisieprogramma's van én commerciële én publieke
omroepen. De namen in deze laatste
categorie reikten van Paul Witteman tot Andries Knevel. De betrokkenheid
strekte zich uit van De Volkskrant
tot Radio 1 en Den Haag Vandaag. Bijna alle nieuwslezers van het NOS-Journaal
stonden op de loonlijst van het UWV. Dat er sindsdien op de ministeries een
richtlijn geldt die het inhuren van bijklussende journalisten moet beperken en
dat een enkele journalist heeft beloofd zijn nevenactiviteiten te zullen
beëindigen heeft, zoals blijkt uit de aangehaalde voorbeelden, geen enkel
effect gesorteerd. Wat ook niet te verwachten viel: de betreffende journalisten
zijn nog steeds in functie en hun loyaliteiten veranderen natuurlijk niet van
de ene op de andere dag.
Evenmin
als op de media hoefden de arbeidsongeschikten op de vakbonden te rekenen:
reeds bij het Najaarsakkoord van 2004 waren zij door hen aan hun lot
overgelaten. Solidariteit tussen werkenden en niet-werkenden was volgens de
vakbondsleiders, die toch al steeds dichter tegen de macht aanschurkten en wier
functie een soort stageplaats voor toekomstige landsbestuurders was geworden -
denk aan de carrière van mensen als Kok, De Geus en Verburg -, in het moderne Nederland geen haalbare kaart
meer. Het lot van de arbeidsongeschikten werd voortaan met instemming van de
achterban, die zich blijkbaar niet realiseerde dat arbeidsongeschiktheid morgen
ook hun lot kon zijn, dan ook maar doodgezwegen.
Doordat
Kamerleden van coalitiepartijen zich sinds jaar en dag laten binden door
opeenvolgende regeerakkoorden, had de regering van hen alvast niets te vrezen.
Naarmate de verkiezingen naderden, waarna mogelijk een nieuwe coalitie gevormd
zou moeten worden, nam ook het zwijgen van de oppositie toe. De PvdA, die als
grootste oppositiepartij aanvankelijk kritisch geweest was over het beleid van
de CDA-minister van Sociale Zaken, bond steeds meer in. Toen haar woordvoerder
Sociale Zaken Bussemaker eind augustus vorig jaar bij wijze van uitzondering
door de redactie van het RTL-journaal gevraagd werd te reageren op het
achterhouden door de minister van een rapport,[1]
werd zij - naar goed geïnformeerde bronnen verklaren -
kort voor de uitzending door de partijtop terugfloten. Het werd niet verstandig
geacht een bewindsman van een mogelijk toekomstige coalitiepartner voor het
hoofd te stoten. Bussemaker luisterde en is voor haar braafheid inmiddels
beloond met een staatssecretariaat. Het verdonkeremaande rapport werd geen
nieuws.
Dat
de burger ook juridisch feitelijk geen enkele bescherming meer geniet tegen
onrecht dat hem van overheidswege wordt aangedaan en dat bovendien de
toegankelijkheid van het recht voor de burger steeds verder wordt bemoeilijkt,
is sinds het verschijnen van de lijvige studie over het bestuursrecht van de
Maastrichtse rechtsgeleerde A.Q.C. Tak algemeen bekend. Het hoeft dan ook geen
verbazing te wekken dat ook het kort geding dat werd aangespannen om de
onbillijke herkeuringen van WAO-gerechtigden stop te zetten, werd verloren. Ook
de meeste rechters blijken steunpilaren van 'de machten die daar zijn' en
hanteren, zoals onlangs over de Raad van State werd opgemerkt, een
'gouvernementele agenda', die steun aan het regeringsbeleid behelst en ertoe
neigt dat nog verder aan te scherpen.
Het
gevolg van al dit zwijgen en al deze meegaandheid met de gevestigde macht was
dat het onbarmhartige WAO-beleid de hele vorige regeerperiode ongestoord kon
worden voortgezet, de verantwoordelijke minister ongestraft de Kamer verkeerd
heeft kunnen informeren en hij vervolgens als beloning voor zijn meedogenloze
houding een hoge functie bij de OESO in Parijs krijgt, zodat hij zijn
hardvochtige missie nu zelfs op Europees niveau kan voortzetten. Als klap op de
vuurpijl is de opsteller van het gemanipuleerde rapport dat ten grondslag lag
aan het beleid van deze voor zijn hardheid beloonde minister,[2]
met instemming van de grootste voormalige oppositiepartij, zelf minister van
Sociale Zaken geworden in een kabinet dat, ondanks enkele kosmetische
aanpassingen en frasen die het tegendeel moeten suggereren, continuering
voorstaat van de gevolgde lijn.
Het
grote zwijgen betreft echter niet alleen het WAO-beleid. Sinds de invoering van
de nieuwe bijstandswet (Wet Werk en Bijstand, WWB) op 1 januari 2004 schendt
Nederland op grote schaal het verbod op gedwongen arbeid en daarmee
internationale verdragen met betrekking tot de rechten van de mens.[3] Bekend/berucht zijn in dit verband de zgn. Work First-projecten, maar ook allerlei
andere aanduidingen worden gebruikt voor maatregelen waarbij
uitkeringsgerechtigden op straffe van verlies van elke vorm van uitkering
verplicht worden, ongeacht hun opleiding of beroep, in ruil voor bijstand
veelal laagwaardige arbeid te verrichten. Wederom ontbreekt elke vorm van
discussie en heerst alom de stilte van het ondergesneeuwde kerkhof.
Slachtoffers
van het beleid, onschuldige burgers die tot dwangarbeid zijn veroordeeld enkel
vanwege het feit dat ze de pech hadden op een bepaald moment in hun leven een
beroep op de bijstand te moeten doen, durven niet naar de rechter te stappen
omdat ze geïntimideerd worden door de gemeente-ambtenaren met wie ze te maken
krijgen - de gemeenten zijn namelijk verantwoordelijk voor de uitvoering van de
nieuwe bijstandswet - en wier taak voornamelijk lijkt te bestaan in het uitkeringsgerechtigden het leven zo
zuur mogelijk maken. Advocaten en juridische raadslieden weigeren de kwestie
aan te kaarten en zelfs medewerkers van rechtenfaculteiten en van het Nederlands
Comité voor de Mensenrechten blijken niet geïnteresseerd. De stilzwijgende consensus in politiek,
media, publieke opinie en dus zelfs onder juristen over de toelaatbaarheid van
gedwongen tewerkstelling van bijstandsgerechtigden is zo groot dat, om een
einde aan deze misstand te maken, Nederland waarschijnlijk eerst weer hard op
de vingers getikt moet worden door het Europese Hof, zoals dat ook in de zaak
van enkele asielzoekers is gebeurd. Van de Nederlandse rechter, de vakbonden,
de pers en de media valt immers ook hier niets te verwachten. Om nog maar te
zwijgen van de politiek.
Er
blijkt in Nederland sprake te zijn van één groot kluwen van verstrengelde
belangen. Binnen de aan de macht zijnde coalitie heerst de kadaverdiscipline
van het regeerakkoord. Oppositiepartijen durven bewindslieden nauwelijks
kritisch te volgen uit angst de kans op
eigen deelname aan een volgende regeringscoalitie te verkleinen. Mensen uit de
wereld van pers en media klussen voor honderdduizenden euro's bij bij
ministeries en daaraan gelieerde instanties waardoor hun onafhankelijke positie
is ondermijnd. De rechterlijke macht blijkt evenmin onafhankelijk en de
vakbonden zijn verworden tot kweekvijvers voor aankomende politici.
Door
deze complete belangenverstrengeling hebben opeenvolgende regeringen een bijna
absolute en ongecontroleerde macht verworven. Niet alleen is er geen sprake
meer van een democratische scheiding der machten, ook is er als het ware een
onzichtbare hand actief geworden, die feiten waarvan het bekend worden
schadelijk zou kunnen zijn voor doorvoering van het beoogde beleid uit de
publiciteit en de aandacht kan houden en dit ook met des te minder scrupules
doet naarmate de positie van degenen die door deze censuur worden getroffen
toch al zwakker is. De werkelijke gang van zaken rond de herkeuringen in de WAO
en de mensenrechtenschendingen bij de gedwongen tewerkstelling van
bijstandsgerechtigden zijn slechts twee voorbeelden hiervan.
.
[1] Zie over dit achtergehouden rapport KN van 15
september 2006.
[2] Zie over dit gemanipuleerde rapport KN van 13
oktober 2006.
[3] Te weten het Europees Sociaal Handvest (deel
1, art. 1: 'Een ieder dient in staat te
worden gesteld in zijn onderhoud te voorzien door werkzaamheden die hij vrijelijk heeft gekozen'), het Internationaal Verdrag inzake
Burgerrechten en Politieke Rechten (art. 8, lid 3, sub a), en het Verdrag ter
Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (art. 4,
lid 2).
Geen opmerkingen:
Een reactie posten