vrijdag 25 januari 2013

Wauw & Pitteman


24-01-2013


In hun talkshow van 22 januari liet het populaire presentatorenduo Jeroen Pauw en Paul Witteman eindelijk zijn ware politieke gezicht zien, waarvan we de contouren al vaak hadden kunnen zien doorschemeren in de keuze van hun gasten en het uitblijven van noodzakelijke kritische vragen bij door hen ontvangen verantwoordelijke politici.


In deze uitzending ontving het tweetal Jan Marijnissen, de charismatische voormalige lijsttrekker van de SP, die zijn nieuwste boek kwam presenteren, een aantal interviews met allerlei deskundigen van wie een aantal expliciet de kritiek van hun interviewer op de huidige, neoliberale samenleving deelt.


Het leek of het duo hun gast alleen had uitgenodigd omdat dit hun de mogelijkheid bood de hetze, die voor de laatste Kamerverkiezingen met succes in pers en media gevoerd werd tegen de Socialistische Partij, die aanvankelijk de grootste leek te worden en dus een bedreiging vormde voor de al decennia durende, neoliberale opperheerschappij, ook na de totstandkoming van het huidige, opnieuw neoliberale kabinet, voort te zetten.


In dit nota bene VARA-programma (VARA staat, ter opfrissing van uw geheugen, voor ‘Vereeniging van Arbeiders Radio Amateurs’) zette Pauw als een pitbull de aanval in op de kritiek van Marijnissen en enkele van de in zijn boek geïnterviewde deskundigen op het neoliberalisme, waarbij Witteman zijn collega op iets mildere toon bijviel.


Waren we niet juist dankzij het neoliberalisme een van de rijkste en gelukkigste landen van de wereld? Bezetten we niet – wauw - dankzij de zegeningen van het neoliberalisme hoge posities op allerlei internationale vergelijkende ranglijsten? Had niet - wauw - VVD-minister Kamp himself dat nog vorige week bij hen in de uitzending gezegd?! Antwoorden van Marijnissen werden afgekapt met weer nieuwe lofzangen op de vrije markt of door Pauw geridiculiseerd.


Tegenover een zo onbeschofte bejegening gaf Marijnissen er blijk van over een ijzeren zelfbeheersing te beschikken en behield hij voorbeeldig zijn gebruikelijke bonhomie. Op één vraag reageerde hij echter weinig ad rem. Toen hem door Pauw gevraagd werd, nadat deze hem eerst had verweten dat hij deed alsof het neoliberalisme een monster was en onnozelheid voorwendend: ‘Wie is nou bijvoorbeeld een neoliberaal in Nederland? Hoe ziet hij eruit? Wat doet ie?’, antwoordde Marijnissen na enige aarzeling: ‘Nou, Frits Bolkestein’. Dat is ongetwijfeld het, ook internationaal erkende, prototype van de Nederlandse neoliberaal - die zelf overigens ontkent dat die term enige betekenis heeft. Het enig juiste antwoord was natuurlijk geweest: “U kunt beter vragen: ‘Wie in Nederland heeft zich nou niet bekeerd tot de dwaalleer van het neoliberalisme?’ Kijk ook naar uzelf en naar de VARA! U zit hier de hele tijd met de felheid van een ayatollah de vrije markt te verheerlijken.”


Sinds de jaren tachtig laten immers vrijwel alle politieke partijen zich in meerdere of mindere – maar vooral meerdere – mate leiden door de ideologie van het neoliberalisme dat – anders dan het klassieke liberalisme, dat vooral belang hechtte aan de burgerlijke vrijheden – de nadruk legt op de economische vrijheid van het individu, onderlinge wedijver en eigenbelang (‘greed is good’), ten koste van onderlinge solidariteit en rechtvaardigheid, en om deze idealen te bewerkstelligen een internationale hervormingsagenda bepleit. Het enige dat voor
deze polititieke partijen nog telt is hun reputatie bij de mondiale instellingen door wie die hervormingsagenda wordt gepromoot. De belangen van hen die zij vertegenwoordigen worden daarvoor met veel newspeak en rookgordijnen, maar zonder pardon opgeofferd aan de vrije markt en haar managers.

Vooral onder invloed van deze ideologie heeft het CDA elke christelijke inspiratie, van ‘rentmeesterschap’ tot zorg voor de kwetsbaren, al jaren verloren en zich ontpopt als neoliberaal zijspan van de VVD. Nauwelijks minder geldt dit voor de PvdA, die zich ook al in een vroeg stadium (de periode Kok) bekeerde tot het neoliberale gedachtegoed en daarmee de sociaal-democratie een dolksteek toebracht, waarvan zij, ondanks de op list en bedrog gebaseerde opleving van de PvdA bij de laatste verkiezingen, nog steeds niet werkelijk is hersteld.


Zelfs de ChristenUnie heeft zich sociaal-economisch gecommitteerd aan de neoliberale agenda van Balkenende IV. Dan hebben we het nog niet eens over het (tot voor kort, nu is het een illusie) zeer op regeringsmacht beluste GroenLinks, dat de afgelopen jaren druk bezig is de laatste resten verzet tegen de neoliberale dictatuur in Nederland op te ruimen. Zoals bleek uit de oproep van voormalig lijstaanvoerder Halsema aan de PvdA om vooral niet enkele van zijn afgeschudde ideologische veren weer aan te plakken door met de SP in zee te gaan, de enige partij van enige omvang in Nederland die geen (of althans een nauwelijks) neoliberaal programma heeft en die door Halsema in vloeiend newspeak als ‘sociaal conservatief’ werd gekwalificeerd - waarmee in niet verhullend Nederlands wordt bedoeld: niet bereid de in de naoorlogse jaren moeizaam opgebouwde sociale zekerheid bij het grof vuil te zetten -, maar zich te verbinden met haar partij, het linkse noch groene GroenLinks, en met het volstrekt neoliberale D66, partijen die in hun ultieme ‘vooruitstrevendheid’ alle Nederlanders zo snel mogelijk willen omvormen tot rechteloze flexwerkers en ieder spoor van solidariteit met de onderklasse zo grondig mogelijk willen wegdweilen.


Als gevolg van een uiterst succesvolle aanwending door de neoliberale lobby van allerlei manipulaties van de taal (‘nieuwspraak’, eufemismen, e.d.) en daarmee van het denken, waarbij ook nog een flinke scheut populisme werd toegevoegd, is deze erin geslaagd naast vrijwel alle politieke partijen ook pers en media en met behulp daarvan uiteindelijk vrijwel de gehele bevolking van de juistheid van haar ideologie te overtuigen.


Het is dus geen wonder dat moderne, ruimdenkende grootverdieners bij een ooit sociaal-democratische omroep niet onverdeeld gelukkig zijn met kritiek op deze in onze samenleving nog steeds dominante ideologie waarbij zij garen spinnen, en zij het van tijd tot tijd nodig achten een spreekbuis daarvan eens even lekker ‘af te zeiken’, wat ook nog de amusementswaarde van hun programma en dus de kijkcijfers lekker omhoog jaagt. Zij horen liever Henk Kamp zijn optimistische oneliners mitrailleren - die qua politiek bewustzijn volslagen ingedutte Pitteman en dat uit de commerciële stal afkomstige opgewonden, zelfingenomen, standje Wauw.

woensdag 23 januari 2013

Het evangelie volgens Marita Mathijsen

gepubliceerd in KN

Marita Mathijsen, hoogleraar Moderne Nederlandse Letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam, houdt zich bezig met interessante kwesties. Gaf zij vorig jaar deelnemers aan de najaarsleesactie van het CPNB in haar hoedanigheid van ‘Mulisch-consulent’ reeds antwoord op vragen als waarom in De aanslag van deze door haar voor een eredoctoraat voorgedragen Grote Schrijver kiespijn zo vaak voorkomt,[1] in haar column van 11 april jl. in de wetenschapsbijlage van NRC-Handelsblad deed zij naar eigen zeggen een poging het evangelie ‘te lezen als literatuur: interpreterend, zoekend naar verborgen lagen’.

Het gevolg van dit gezoek en geïnterpreteer was een verregaande actualisering van de nieuwtestamentische gebeurtenissen, waarbij de persoon van Jezus op afgezaagde wijze werd voorgesteld als ‘een hippie’, en vooral een psychologisering van, c.q. toepassing van termen uit de populaire psychologie (‘schizofreen’, ‘autistisch’, ‘manisch depressief’) op de evangelische figuren, waardoor men als het ware van de rurale, mediterrane en een vleugje oriëntaalse, wereld van het Nieuwe Testament in een talkshow van Oprah Winfrey belandde en een enorme trivialisering plaatsvond. Bij Marita maakt Maria zich zorgen over de geestelijke gezondheid van haar zoon: ‘als er psychiaters waren geweest, zou ze daarheen gegaan zijn’.

Wat nu precies de bedoeling van het stukje was - overigens getiteld ‘Messias met een puberbrein’- , werd niet helemaal duidelijk. Een reactie op de column in de Volkskrant zag er een parodie in op de moderne bijbelexegese. Ik ben allerminst deskundig op dat gebied, maar weet uit enkele snuffelpogingen eraan, dat daarin inderdaad ook veel gepsychologiseerd wordt (zoals trouwens in de hele hedendaagse samenleving). Verdere aanwijzingen voor dergelijke parodistische bedoelingen, zoals aanwending van de bij dat soort exegese gebruikelijke terminologie en redeneertrant, ontbraken echter.

In haar column van 16 mei kwam mevrouw Mathijsen op haar eerdere stukje terug en verklaarde zij zich nader: ze had inderdaad ‘de bijbeltekst teruggebracht naar een hedendaagse waarneming’ en ‘Maria…met de ogen van een bezorgde hedendaagse moeder’ naar Jezus laten kijken. Tevens lardeerde ze haar nieuwe tekst - die immers in een wetenschapsbijlage stond - met gewichtigdoenerige, literatuurwetenschappelijke termen van het soort waarvan we sinds Karel van het Reve verlost hoopten te zijn.

Je kunt natuurlijk elk verhaal vanuit ieder perspectief navertellen en een persoon uit de geschiedenis daarbij desnoods volkomen losmaken uit zijn of haar historische en culturele context, en dus ook wie in de traditie voorzien is van epitheta als ‘gezegende onder de vrouwen’ bij wijze van postmodern experiment volstrekt relativeren en transformeren in een soort van geestelijk door Amerikaanse talkshows gevormde tante Truus. Maar dat is allemaal weinig interessant en nogal deprimerend en de vraag is wat het te maken heeft met het lezen van de bijbel ‘als literatuur’.

Zal wie geïnteresseerd is in het evangelie als bellettrie niet liever iets vernemen over het genre ervan dat verwant is aan het ook in de oudheid populaire genre van de levensbeschrijving, over de stijl waarin het geschreven is, die enerzijds zo eenvoudig is dat ontwikkelde mensen uit de dagen van het vroege christendom, die een traditionele retorisch opleiding hadden genoten, zich er enigszins voor geneerden, maar anderzijds juist door die ongekunsteldheid toch ook een grote aantrekkingskracht bezat, en over het sterk met dat van de biografie vervlochten genre van de parabel, dat bij uitstek in het Nieuwe Testament tot bloei is gekomen en waarvan de zedelijke waarheden die zij op verheven toon verkondigt het geheel zo verfrissend unzeitgemässs maken.

Geef de lezer in plaats van die geactualiseerde, talkshows kijkende en naar psychiaters hunkerende Maria met haar niettemin gedateerde hippiezoon en die literatuurwetenschappelijk verantwoorde focalisators en points-of-view het echte evangelie in al zijn eenvoud, zijn wereld van herders, vissers en wijngaardeniers, zijn revolutionair elan en al die, ook uit louter literair genoegen, wonderschone plaatsen, zoals die waar wordt gesproken van ‘de vogelen des hemels’ en ‘de leliën des velds’, de passage uit de bergrede waarover alleen al de filosoof Kierkegaard veertien ‘redevoeringen’ heeft geschreven en waarin men waarlijk geconfronteerd wordt met de macht van poëzie.

Kan een sprankelende geest als Marita Mathijsen zich niet beter bezighouden met de negentiende-eeuwse Nederlandse domineedichters of met het verschijnsel kiespijn in de werken van Harry Mulisch?





[1] Zie mijn vorig jaar op de website van het CPNB verschenen column Lezen in Absurdistan:

De twee heren van Lans Bovenberg


          
met kleine aanpassing gepubliceerd in KN, augustus 2009

Het overkomt me niet vaak en het is natuurlijk ook weinig van deze tijd, dat ik, wanneer ik iemand hoor spreken, denk: ‘Dit is gvd pure blasfemie’. Vorige week, toen ik een interview met CDA-ideoloog, econoom, SER-lid en pinkstergemeentevoorganger Lans Bovenberg aanschouwde, die bij Andries Knevel een boek over zijn economische bespiegelingen kwam promoten (15-09-09), was het evenwel zover.
                         
Na voor de zoveelste maal de schuld van de bankiers aan de huidige economische crisis gerelativeerd te hebben met een verwijzing naar Mattheüs – als zondige mensen zijn wij daaraan immers allemaal medeschuldig en moeten wij, balkdragers in ons eigen oog, eens ophouden de splinter in dat van onze broeders, de bankiers, te zien –, begon Bovenberg, op zalvende toon en met eerbied en bewondering gadegeslagen door Knevel, met de uiteenzetting van zijn economische bespiegelingen.

Hierin pleitte hij, steeds meer getroffen als hij de laatste jaren beweerde te zijn door de parallellen tussen economie en theologie, voor een theologische visie op de economie, of, zo men wilde, een economische visie op de theologie, waarbij Jezus gezien diende te worden als een economiegoeroe. Had deze immers niet middels zijn kruisdood het ultieme voorbeeld van een geslaagde kosten-batenanalyse gegeven (kosten: Jezus eigen leven; baten: de verlossing van de mensheid) en streefde Jezus niet naar het maken van ‘echte winst ‘?

Door nu de opvattingen van topeconoom Jezus Christus als leidraad te nemen in het economische denken zou dit in de toekomst meer dan in het hebzuchtige verleden gebaseerd zijn op nederigheid, dienstbaarheid en lange termijn denken, zoals valt te lezen in het boek met de woordspelige titel De balans van Bovenberg van journalist De Reus, waarvan het recente verschijnen door Bovenbergs oude vriend, onze premier Balkenende, werd opgeluisterd met enig retorisch vuurwerk, zoals we van onze eerste minister gewend zijn bij voor hem heuglijke of memorabele gebeurtenissen.

Nu is uit de theologie weliswaar de term ‘heilseconomie’ bekend, maar deze heeft toch echt niets met geld te maken: het woord ‘economie’ hierin wordt louter metaforisch gebruikt in de zin van ‘strategie’. Het evangelie is immers wel zo ongeveer het meest anti-economische geschrift dat ooit vervaardigd is en waarin bijvoorbeeld - eveneens bij Mattheüs (6:19) – staat te lezen: ‘Verzamelt u geen schatten op aarde, waar roest en worm ze verteren, en waar dieven ze opgraven en stelen.’

Ook over de verbinding van economie en theologie, c.q. een God welgevallige levenswijze, vindt men bij Mattheüs klare taal (6:24): ‘Niemand kan twee heren dienen; hij zal of den een haten en den ander beminnen, of den een aanhangen en den ander verachten. Gij kunt God niet dienen en de mammon.’ Het hele verhaal van Bovenberg is feitelijk dus niets anders dan blasfemisch gezwatel van een bankiersverdediger die te goede maatjes is met ‘the powers that be’, en even anti-evangelisch is als het evangelie anti-economisch.

En om nog even terug te komen op die bankiers: het Nieuwe Testament is royaal met het vergeven van zonden: tollenaars, overspelige vrouwen, moordenaars, allen komen ze ervoor in aanmerking. Er is maar één categorie bij wie het schenken van vergiffenis moeilijk ligt en voor wier zielenheil ernstig moeten worden gevreesd, en dat is die van de rijken, waartoe bankiers toch wel gerekend mogen worden. Juist deze lieden nu, voor wie ‘het moeilijker is in het koninkrijk der hemelen te komen, dan voor een kameel door het oog van een naald’, komen daarvoor bij Bovenberg als eersten in aanmerking.

Een evangeliepassage tenslotte waarvan het wellicht ook nog raadzaam is voor onze staatshuishoudkundige voorganger daarover nog eens te reflecteren, is die waarin de gewoonlijk zo zachtmoedige Jezus de geldwisselaars en handelaren de tempel uit ranselt. Het is dat er in die dagen nog geen economen bestonden, anders waren die vast evenmin ontkomen aan de toorn van de Zoon van God.



Marskramers van de Dood



 Gepubliceerd  6 april 2007, Katholiek Nieuwsblad



De NVVE wil dat mensen die “vanwege hun ouderdom een gebrek aan waardigheid ondervinden” hun leven kunnen beeindigen. De Vereniging levert hiermee een nieuwe bijdrage aan de ‘cultuur van de dood’ en betoont zich wederom een colporteur van Magere Hein. De nieuwe voorzitter van de Nederlandse euthanasieclub NVVE, de deftige Eugène (what’s in a name?) Sutorius, die vorig jaar de uiterst beschaafde Jacob Kohnstamm opvolgde, heeft, zoals hij ons bij zijn aantreden in het programma Buitenhof minzaam glimlachend liet weten, grootse plannen. 

Eugène, met zijn voorkomen van een voorname doch aimabele dorpsdokter uit de dagen van weleer, wil de misverstanden die in binnen- en buitenland over de goede bedoelingen van zijn club bestaan met kracht bestrijden en streeft - op termijn, wanneer ook tragere geesten er rijp voor zijn - naar ruime beschikbaarstelling van een zelfmoordpil, de zgn. pil van Drion (ook wel ‘zwarte pil’ genoemd) voor ons, ‘vrije mensen’, allemaal.
Zodat we, wanneer we voelen dat de dementie ons begint te besluipen, of we oud zijn geworden en eenzaam doordat de dynamische medemens geen zin meer heeft zijn kostbare tijd aan ons te verspillen en ook de schaarse verpleegsters zich wel leukere patiënten kunnen voorstellen, geheel vrijwillig en autonoom een glaasje water kunnen halen om de barmhartige pil mee weg te spoelen. 

Alleen aandacht

Onlangs deden Sutorius en zijn medecolporteurs van de dood, na eerdere successen waardoor men in ons voorlijke land nu ook ongestraft gehandicapte baby’s en andere niet-wilsbekwamen uit hun lijden kan verlossen, een nieuwe poging hun voet weer eens tussen de deur van de Nederlandse samenleving te zetten en alvast een deel van hun vervolgagenda in de publiciteit te parachuteren. In Trouw stelden zij voor een experiment te starten met het faciliteren van zelfmoord door “gezonde, maar levensmoede mensen”, die “vanwege hun ouderdom een gebrek aan waardigheid ondervinden” (afhankelijkheid van anderen, controleverlies et cetera). Dit ‘waardigheidscriterium’ zou dan naast het ‘lijdenscriterium’ in de opnieuw te moderniseren euthanasiewetgeving moeten worden opgenomen. 

Sociale druk

Dat ‘waardigheid’ een eigenschap is die in het denken over mensenrechten als inherent aan het menszijn zelf wordt beschouwd en losstaat van specifieke eigenschappen als leeftijd, autonomie of zelfstandigheid vermelden onze marskramers natuurlijk niet. Evenmin als de bijkomstigheid dat door het voorstellen van dit soort experimenten alleen al de sociale druk op ouderen om euthanasie te plegen door de NVVE en haar geestverwanten opnieuw wordt opgevoerd, zodat het plan vooral goed nieuws is voor erfenisjagers en zelfzuchtige familieleden die liever naar palmbomen aan witte stranden vliegen dan de last van zorg en stervensbegeleiding op zich te nemen. Politici zal aanspreken dat zo tevens de vergrijzingsproblematiek eindelijk eens stevig wordt aangepakt. Ouderen zelf willen echter in overgrote meerderheid helemaal niet dood. Alleen maar een beetje aandacht. 

Savoir vivre

Toevallig viel de lancering van het nieuwe NVVE-plan samen met de boekenweek, waarvan het motto dit jaar de titel van Erasmus Lof der Zotheid, een boekje waarin het thema ouderdom en dood eveneens aan de orde komt, zij het vanuit een heel andere invalshoek dan die van Jacob & Eugène. In het retorische oefenstuk dat het boekje eigenlijk is, laat Erasmus schertsend de gepersonifieerde Zotheid een redevoering houden, maar onderwijst hij feitelijk een praktisch savoir vivre. In hoofdstuk 31 van de Lof nu wordt er fijntjes aan herinnerd “dat de mensen, zelfs wanneer hun levensdraad bijna afgesponnen is en de levensgeesten welhaast geweken zijn, nog maar weinig lust gevoelen de aardse narigheid vaarwel te zeggen. Hoe minder reden er voor hen is om in het leven te blijven, des te meer zijn zij daaraan gehecht”. Opmerkelijk genoeg – je zou toch verwachten dat dit sprankelende werkje naar aanleiding van de boekenweek massaal zou zijn herlezen – werd hieraan in geen enkele reactie op het plan gerefereerd. 

Akelige perversie

In de literatuur vindt men trouwens wel meer krachtige tegengeluiden bij het met name in D66-kring populaire ophemelen van de dood. Te denken valt bijvoorbeeld aan Dylan Thomas’ ontroerende aansporing aan zijn stervende vader: Do not go gentle in that good night… Maar natuurlijk ook aan die passage uit boek 11 van de Odyssee, waarin de schim van de grote Achilles de ronddolende Odysseus, die hem in de Hades komt bezoeken en hem met zijn lot als gestorvene probeert te troosten, maant hem de dood toch niet te prijzen en verklaart liever de minste slaaf te zijn op aarde dan koning over de schimmen in de onderwereld. Op zelfmoord rustte – op een enkele uitzondering als de Stoa na – reeds in de voor-christelijke wijsbegeerte een taboe. Afkeer van Magere Hein is een natuurlijk en universeel gegeven, de Nederlandse ‘cultuur van de dood’, zoals de vorige paus het treffend noemde, een akelige perversie. 

Zou het niet menslievender zijn de ouderen in onze samenleving ook eens met geluiden als de bovengenoemde te confronteren in plaats van hen vrijwel uitsluitend te laten luisteren – zoals pers en media doen – naar listige vermommingen van de duivel als chique Jacob en deftige Eugène, die met hun zalvende woorden over de zegeningen van de zelfgekozen dood suggereren dat de samenleving eigenlijk euthanasie van hen verwacht en hen liever kwijt dan rijk is? Laat hen hun oude botten toch nog even warmen in de zon: die kunnen nog lang genoeg in het donker liggen!

Lezen in Absurdistan


04.11.2008

De leesbevorderingsactie die momenteel in Nederland loopt onder de naam 'Nederland leest' en in het kader waarvan een miljoen Nederlanders op hetzelfde tijdstip hetzelfde boek lezen, is vooral een conformisme-bevorderingsactie en wordt bovendien misbruikt voor politieke/ideologische doeleinden.

Een miljoen Nederlanders zit momenteel allemaal hetzelfde boek te lezen. Dat is hun aangeboden door het CPNB (de Stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek, een samenwerkingsverband van de Nederlandse Boekverkopersbond). Het is het zogenaamde ‘nationale leesboek’, dat inmiddels al voor de derde keer is uitgedeeld in het kader van een landelijke leesbevorderingcampagne. Bij de openbare bibliotheken waar leden het gratis konden afhalen, liep het storm, zoals opgetogen werd gemeld door plaatselijke sufferdjes.

Wat een typisch Nederlands kuddegedrag toch weer: allemaal op hetzelfde tijdstip hetzelfde boek gaan zitten lezen van dezelfde van radio en tv bekende schrijver! Zoals men ook een paar maal per jaar op enkele daartoe uitgeroepen ‘nationale’ dagen in het weekend hordengewijs gaat wandelen of fietsen, al dan niet - ter verhoging van de kneuterigheid - langs molens.

Werden we in 2006 door onze eerste minister tot een arbeidzaam leven aangespoord met de van de copywriters van de Amerikaanse staat Wisconsin (Wisconsin Works) gepikte slogan ‘Nederland werkt’, nu bestookt het CPNB ons met de daarop weer een variatie vormende leuze ‘Nederland leest’, waarmee we worden gemaand na gedane arbeid een verrijkend boek ter hand te nemen. Het idee van deze campagne zelf is trouwens ook weer ontleend aan een Amerikaans model: het oorspronkelijk in Chicago, overigens niet landelijk, maar locaal, gestarte initiatief ‘One Book, One City’.

De voor deze disciplineringmaatregel uitverkoren roman heeft - uiteraard - een modieus thema (de hier te lande sinds enige decennia als superieur beschouwde liefde voor een persoon van hetzelfde geslacht), speelt ter bevordering van de belangstelling van Jan de Loodgieter voor het boek tegen een poenige achtergrond (Nice), en is, om ook voor de snob enige aantrekkingskracht te bezitten, doorweven met opzichtige symboliek c.q. mythologische toespelingen (Orfeus, Oedipus) en voorzien van een motto dat ontleend is aan - surprise! - Sapfo. Kortom, het betreft de roman ‘Twee vrouwen’ van Harry Mulisch.

De Bezige Bij, de uitgever van het boek, heeft Marita Mathijsen bereid gevonden op te treden als nationale juf voor deze bovenmaatse schoolklas van vlijtige lezertjes. Mevrouw Mathijsen is in het dagelijks leven hoogleraar Moderne Nederlandse Letterkunde aan de UvA, maar schnabbelt deze maand wat bij als ‘Mulisch-consulent’ bij de uitgever van deze nieuwe Homerus. Iedereen die iets niet snapt bij Mulisch, bijvoorbeeld (een voorbeeldvraag van de website van de uitgever) waarom in ‘De aanslag’ kiespijn zo vaak voorkomt, mag bij haar digitaal zijn vinger opsteken. Want bij een grote geest als Mulisch raakt uiteraard geen tandzenuw ontstoken zonder diepere bedoeling.

Om ook ‘laaggeletterden’ te laten delen in het collectieve leesgenot is eveneens subsidie verleend voor de vervaardiging van een editie waarin alle moeilijke woorden zijn geschrapt en die flink is ingekort, een zogenaamde ‘hertaling’ of ‘leeslicht-editie’. Wie als laaggeletterde in het bezit wil komen hiervan hoeft zich slechts expliciet als zodanig te melden bij de bibliotheekbalie.

Een prominente rol is verder weggelegd voor de nationale nieuwslezer. Zoals eerder bij een voor scholieren bestemd toneelstuk over onze nationale bijdrage aan de oorlog in Afghanistan - de inmiddels smadelijk afgedropen nieuwslezer - Gijs Wanders de ambassadeur was van een pro-oorlog campagne, is de rol van ambassadeur bij deze nationale conformisme-bevorderingsactie weggelegd voor de meer cultureel angehauchte Philip Freriks. Aan diens zijde onthulde de auteur, geregistreerd door alle media, in een park aan de vermaarde Promenade des Anglais te Nice waar een scène uit het boek zich afspeelt, een plaquette, waarmee het park eventjes - voor de duur van de campagne - een tweede naam kreeg: ‘Jardin Harry Mulisch’. Aan deze woorden was - ook voor heel even (Oh gloire éphémère!) – een korte verklaring toegevoegd: ‘écrivain néerlandais, auteur du roman “Deux Femmes”, livre choisi pour la campagne Nederland leest 2008’.

Om de maatschappelijke relevantie van het thema van het boek te onderstrepen traden - ondertussen in het vaderland - tijdens de leesbevorderingactie drie lesbische stellen feestelijk in het huwelijk. En wel in de trein, want de Nederlandse Spoorwegen zijn de hoofdsponsor van het hele gebeuren.

Dat een eerbiedwaardige boekencultuur zich met dergelijke fratsen voor politieke en ideologische doeleinden laat misbruiken en zich daarnaast ook nog in de uitverkoop zet, zoals Ger Groot al eens opmerkte naar aanleiding van leesbevorderingcampagnes onder jongeren, aan wie ook gratis boeken werden uitgedeeld en die daardoor wel de indruk moesten krijgen dat deze dus blijkbaar waardeloos zijn, kan de boekenaansmeerders van het CPNB natuurlijk niets schelen. Evenmin als het feit dat Nederland zich door leesbevordering te koppelen aan ostentatieve homopropaganda internationaal weer eens belachelijk maakt. Want of je nu plavuizen verkoopt of boeken: gepromoot moet er worden en geld is geld.

zondag 20 januari 2013

Bewust rammelende wetgeving

Katholiek Nieuwslbad, 12 oktober 2011

Het kabinet Rutte maakt, om gedoogpartner PVV te gerieven, op het gebied van het migratierecht willens en wetens wetten waarvan van te voren duidelijk is dat ze onhoudbaar zijn omdat ze in strijd zijn met internationale verdragen. Zo stond te lezen op 20 september jl. in NRC-Next, dat hierover in het betreffende artikel een hele reeks deskundigen aan het woord liet en de beschreven gang van zaken kernachtig typeerde als 'migrantje pesten'.

Nadat een dergelijke wet, rammelend en wel, is ingevoerd, wacht het kabinet af waar het schip strandt. Het hoopt daarbij dat niemand naar de rechter stapt, maar weet dat, ook als dit wel gebeurt en dit de regering mogelijk op een rechterlijke afstraffing komt te staan, een tik op de vingers in dit soort juridische procedures jaren op zich zal laten wachten. Tot die tijd kan zij dus rustig haar gang gaan en levert de wet, ook al is zij dubieus en veelal zelfs inconstitutioneel (1), haar op de koop toe de gewenste strenge reputatie op migratiegebied op, zodat het voor het kabinet dus, ongeacht het lot van de wet bij toetsing, 'altijd prijs' is.

Het is goed dat NRC-Next zijn lezers wijst op deze boosaardige wetgevingspraktijk en laat zien hoezeer de gevolgen hiervan de grondslagen van de Nederlandse rechtsstaat aantasten. De situatie is echter nog veel ernstiger dan in het genoemde artikel wordt geschetst: deze praktijk is niet pas van start gegaan onder de regering Rutte - zij werd reeds, vrijwel onopgemerkt, op grote schaal ingevoerd onder de kabinetten Balkenende (2002-2010) -, maar betreft ook veel meer rechtsgebieden dan alleen het migratierecht. Ik heb hiervan reeds melding gemaakt in mijn artikel 'Wetgever vermoedelijk niet dom, maar slecht', in het Katholiek Nieuwsblad van 17-10-2009, waarnaar ik hier wil verwijzen.

Een rechtsgebied waarop onder de kabinetten Balkenende met internationale verdragen strijdige wetten zijn aangenomen, is - naast bijvoorbeeld het privacyrecht (denk aan de wetgeving rond het 'burgerservicenummer' [BSN], het Elektronisch Patiëntendossier [EPD]), etc. - met name het sociale zekerheidsrecht. Zo is de in de destijds door staatssecretaris Mark Rutte voorbereide nieuwe bijstandswet van 2004, de Wet Werk en Bijstand (WWB), opgenomen gedwongen tewerkstelling van bijstandsgerechtigden - die het huidige kabinet overigens nog verder wil aanscherpen - in strijd met het in tal van internationale verdragen vastgelegde verbod op 'dwangarbeid of verplichte arbeid' (forced or compulsory labour). En was er bij de 'eenmalige herkeuringen' onder arbeidsongeschikten, in het kielzog waarvan de WAO voor nieuwe gevallen werd afgeschaft, door de extreme aanscherping van de keuringsregels die hierbij plaatsvond en maakte dat arbeidsongeschikten massaal hun uitkering geheel of gedeeltelijk verloren, onder andere sprake van met het EVRM strijdige 'onrechtmatige eigendomsontneming' (2). Verder kan nog gewezen worden op de invoering van een sollicitatieplicht voor zieke werklozen en de afschaffing van de bijstand voor personen tot 27 jaar. Naar analogie van de bovengenoemde kwalificatie met betrekking tot het migratierecht zou men hier kunnen spreken van een legislatief 'sloebertje pesten' door deze kabinetten bij wie, net als bij het huidige, de neoliberale 'hervorming' van de sociale zekerheid hoog op de agenda stond, en die, eveneens als het huidige, de - weinig meer tot solidariteit geneigde - publieke opinie aan haar kant hadden.

Een verschil met het migratierecht is hier echter dat, terwijl de Nederlandse vreemdelingenrechter nog enig corrigerend vermogen bezit tegenover de nationale wetgever -een vermogen dat wellicht te verklaren valt uit het feit dat diens vakgebied wat meer internationaal georiënteerd is - men in het sociaalzekerheidsrecht een volstrekt nationaal politieke agenda volgt, waarin vrijwel uitsluitend beslissingen worden genomen die de overheid welgevallig zijn, en men als burger voor zijn rechtsbescherming eigenlijk alleen bij het Europese Hof terecht kan. Dat wordt echter pas toegankelijk nadat men alle nationale rechtsmiddelen heeft uitgeput en dus noodgedwongen eindeloze, kostbare en op zichzelf zinloze rechtszaken heeft moeten voeren in eigen land.

Doordat het kabinet onlangs ook heeft besloten - opnieuw in strijd met het EVRM, dat een onbelemmerde toegang tot de rechter waarborgt - vanaf 2013 de griffierechten voor de burger die zijn recht zoekt zeer fors te verhogen, maakt zij het gedupeerden überhaupt vrijwel onmogelijk over dit soort wetgeving juridische procedures aan te spannen tegen de staat. In het bestuursrecht, waarop mensen met een uitkering bij juridische procedures zijn aangewezen, is immers zelfs sprake van een vertwintigvoudiging van het griffierecht. Daarnaast wordt zwaar bezuinigd op de gesubsidieerde rechtshulp.

Terwijl ik bezig ben dit stukje te schrijven bereikt mij via de krant (NRC 4-10-2011) het bericht van alweer een vervolgstap bij het bemoeilijken voor de burger van de toegang tot het recht. Het kabinet wil burgers nu ook ontmoedigen klachten in te dienen bij het Europese Hof - zoals gezegd, het laatste toevluchtsoord voor wie binnen het Nederlandse rechtssysteem geen gehoor heeft weten te vinden -, door voor het procederen bij dit Hof, dat nu nog gratis is, een 'reëel' griffierecht in te voeren, en bij een dergelijke procedure, anders dan nu, een advocaat verplicht te stellen.

Gezien de verharding van het strafklimaat in de afgelopen regeerperioden is het niet verwonderlijk dat ook op het gebied van het strafrecht de nodige dubieuze wetgeving wordt geproduceerd. Als voorbeeld noem ik het zeer recente wetsvoorstel voor invoering van een speciaal 'adolescentenstrafrecht' voor jongeren tussen 15 en 23 jaar door het huidige kabinet, dat een verlenging van de detentie van deze jongeren van 2 naar 4 jaar mogelijk maakt, en daarmee in strijd is met het ook door Nederland geratificeerde Internationale Verdrag Inzake de Rechten van het Kind (IVRK) van de VN, waarin wordt bepaald dat jongeren tot 18 jaar moeten worden berecht volgens het jeugdstrafrecht. Een ander voorbeeld is de al weer wat langer geleden ingevoerde 'anti-kraakwet' (Wet kraken en leegstand), die, zoals ook de rechter constateerde, in strijd is met het in art. 8 van het EVRM vastgelegde 'huisrecht'. Een niet onbelangrijk voorbeeld van dubieuze wetgeving is verder nog de invoering van de algemene identificatieplicht, die niet alleen herinneringen oproept aan de nazi-bezetting, maar eveneens weer in strijd is met bepalingen uit het EVRM.

Nederland beschouwt zichzelf als koploper op het gebied van mensenrechten en is altijd haantje de voorste bij het aan de kaak stellen van schendingen van deze rechten in Verweggistan. Wat meer bescheidenheid zou niet misplaatst zijn bij een land waarin schending van internationale verdragen al jarenlang een vast bestanddeel vormt bij de totstandkoming van eigen wetgeving.



1) Artikel 94 van de Grondwet bepaalt immers dat alle wetgeving aan het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) moet worden getoetst.
2) Uitkeringsrechten op grond van sociale zekerheid vallen volgens vaste jurisprudentie van het Europese Hof onder het begrip 'eigendom/bezit' (possessions) als bedoeld in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM.

Wetgever vermoedelijk niet dom, maar slecht



Huidige Nederlandse wetgever vermoedelijk niet dom, maar slecht

(oorspronkelijk verschenen in Katholiek Nieuwsblad, 17-10-09)



De Centrale Raad van Beroep, de hoger beroepsinstantie voor zaken op het gebied van het sociale bestuursrecht, heeft op 5 oktober uitspraak gedaan in het beroep van de bekende Arnhemse ‘schoffelweigeraar’ Bennie Beck. Deze wilde een principe uitspraak uitlokken over de vraag of gedwongen werken in ruil voor een uitkering (in plaats van loon) geen dwangarbeid is. Met andere woorden of de in de nieuwe bijstandswet (WWB, Wet werk en bijstand) neergelegde verplichting om met behoud van uitkering ‘gebruik te maken van een door het college van burgemeester en wethouders aangewezen voorziening gericht op arbeidsinschakeling’ niet in strijd is met het in tal van internationale verdragen vastgelegde verbod op ‘dwangarbeid of verplichte arbeid’ (‘forced or compulsory labour’).
                          
Omdat de Arnhemmer reeds in eerdere instantie (gedeeltelijk) in het gelijk was gesteld en zijn uitkering was hervat, oordeelde de rechter nu in hoger beroep dat deze thans geen ‘procesbelang’ meer had, dus niet ontvankelijk was, en weigerde hij een inhoudelijke uitspraak te doen.

Daarmee is de strijd van deze Arnhemmer tegen gelegaliseerde dwangarbeid in het kader van de nieuwe bijstandswet er nog weer een van langer adem geworden, waarin nu een gang naar het Europese Hof in het vizier komt, en die model staat voor het soort juridische strijd dat men als burger klaarblijkelijk bereid moet zijn te willen en in staat moet zijn te kunnen voeren als men zich wil verzetten tegen het soort wetgeving dat sinds het aantreden van de kabinetten Balkenende een vast patroon lijkt te zijn geworden in legislatief Nederland: wetten - vooral op het terrein van het sociale zekerheidsrecht (naast dwangarbeid voor bijstandsgerechtigden bijvoorbeeld: ontneming van rechten aan arbeidsongeschikten, een verplichting om te solliciteren voor zieke werklozen, afschaffing van de bijstand voor personen tot 27 jaar, onaangekondigde huisbezoeken, leerwerkplicht voor schoolverlaters, etc.), maar ook waar het geldt het asielrecht, het privacyrecht, het oorlogsrecht, etc.) – die, uit bezuinigings- en ideologische motieven, bewust lijken te worden ingevoerd in strijd met internationale verdragen, en waar ook de nationale rechter met zijn wel als ‘gouvernementeel’ aangeduide agenda zich nauwelijks tegen verzet.

Bij indiening van dergelijke wetsvoorstellen wenden kabinet en Kamer voor dat zij zich niet bewust zijn van de strijdigheid tussen voorgestelde nationale wetgeving en internationale verdragen, en voeren zij deze wetgeving, nadat zij zich – incredibile dictu – ook hebben  weten te verzekeren van medewerking van Eerste Kamer en Raad van State, wier leden ook collectief doen of hun neus bloedt, gewoon in. Ook al weet men dat de kans bestaat dat men dit soort wetgeving ooit weer zal moeten terugdraaien.

Dáarom bekommert de moderne Nederlandse wetgever zich echter in het geheel niet meer, aangezien hij weet dat het, gezien de algehele apathie onder de slachtoffers van met name het sociaal economisch beleid en de ook verder overheersende politieke desinteresse, in het huidige tijdsgewricht nauwelijks denkbaar is dat er ooit een haan naar kraait. Een feit waaraan ook het gebrek aan onafhankelijkheid van de goed met bewindslieden bevriende Nederlandse journalistiek een stevig steentje bijdraagt. En mocht er zich onverwacht daadwerkelijk ooit iemand druk om maken, dan heeft men van de in dat geval in eerste instantie te hulp geroepen Nederlandse rechter weinig te duchten, maar zal de eventuele eiser wel eerst alle nationale rechtsmiddelen moeten uitputten, zoals nu ook de schoffelweigeraar heeft gedaan, voor hij zich tot het Europese Hof kan wenden.

Voordat men zóver is, is er echter heel wat water door de rivieren gestroomd en hebben de bedenkers van de wet ondertussen al naar hartenlust heel wat miljoenen kunnen bezuinigen en in een lange reeks van magere jaren een complete mentaliteitsverandering in Spartaanse richting kunnen afdwingen. Geen nood dus mocht de Europese rechter de Nederlandse wet alsnog terugdraaien. Rammelende, en feitelijk zelfs inconstitutionele, wetgeving - artikel 94 van de Grondwet bepaalt immers dat alle wetgeving aan het EVRM moet worden getoetst – kan al de jaren standhouden dat gewacht moet worden op Europese toetsing.

Hoe desastreus ondertussen de invloed van zo’n periode van ondeugdelijke wetgeving op de samenleving kan zijn, blijkt wel uit de recente ontwikkelingen op het gebied van de praktijk van de bovengenoemde gedwongen tewerkstelling, die zich sinds haar entree in de nieuwe bijstandwetgeving van 2004 in de vorm van ‘reïntegratietrajecten’ als een olievlek over de samenleving heeft uitgebreid.

Doordat de regering het door dergelijke wetgeving aantrekkelijk heeft gemaakt voor bedrijven om door Nederlandse gemeenten aangeleverde gratis werklozen, verslaafden, daklozen, etc. te verhuren en onderverhuren aan commerciële bedrijven, is er een hele louche, om niet te zeggen criminele, en grof geld aan de ellende van anderen verdienende, al maar uitdijende, bedrijfstak ontstaan,  die feitelijk staatsslaven levert aan de ‘vrije markt’, is uitbuiting middels arbeid een van de grootste maatschappelijke problemen geworden en is in enkele jaren een hele bestaande sociale structuur verwoest.

Een van de dingen die het meest verontrusten bij dit alles is, dat er niet één instantie of deskundige lijkt te bestaan die een overzicht heeft van al de wetgeving die is ingediend in strijd met internationale verdragen. Juristen lijken niet verder te kijken dan hun eigen specialisme, journalisten zetten hun goede contacten met bewindslieden vriendelijk keuvelend voort en de burger slaapt rustig verder tot ook hij op een morgen rechteloos ontwaakt.