zondag 31 maart 2013

Raad Vorden kiest zijde neonazistisch Stormfront



In deze tijd van mede onder invloed van de crisis toch al overal in Europa herlevend rechts-extremisme en weer virulenter wordend anti-semitisme, meent het Achterhoekse dorp Vorden (gemeente Bronckhorst) op 4 mei de daar begraven nazi-soldaten te moeten herdenken. Wereldwijde verbijstering over dat voornemen kon het daar niet vanaf brengen. Vrijwel de voltallige raad stemde ermee in. De plaatselijke burgemeester, die zich bijzonder hard heeft gemaakt voor zijn ‘Moffenherdenking’, werd zelfs uitgeroepen tot ‘bestuurder van het jaar’.


Op woensdagavond 27 maart jl. heeft een grote meerderheid van de gemeenteraad van de Achterhoekse gemeente Bronckhorst, waaronder het dorp Vorden valt, dat vorig jaar breed in het nieuws kwam met zijn voornemen in het kader van de Nationale Dodenherdenking ook de daar begraven nazisoldaten te herdenken, ingestemd met het voorstel dit jaar opnieuw, na een in tweede aanleg gewonnen rechtszaak nu met een officiële afvaardiging van de gemeente, de daar begraven Duitse soldaten op 4 mei te herdenken.

In de gemeenteraad van Bronkhorst hebben 6 partijen zitting: CDA, VVD, PvdA, D66, GroenLinks en het lokale Gemeentebelangen Bronckhorst. Ondanks hevige protesten van onder meer het CIDI (Centrum Informatie en Documentatie Israël), het Nederlands Auschwitz Comité, het Centraal Orgaan Voormalig Verzet en Slachtoffers (COVVS) en Federatief Joods Nederland (FJN) stemden slechts twee raadsleden (één van D66 en één van Gemeentebelangen) tegen het voorstel.

Met deze opstelling schaart de raad zich – al dan niet onbedoeld of uit onhandigheid –  massief aan de zijde van het neonazistische internetforum Stormfront, dat de Vordense herdenking van nazi-soldaten ook van harte toejuicht: 

maandag 18 maart 2013

Weg met Pasen!



Omdat ik naast een basisschool woon, maar graag uitslaap, ben ik, benieuwd naar mijn mogelijkheden hiertoe rond de Paasdagen, zo halverwege de Goede Week eens nagegaan wanneer precies dit jaar in mijn regio de Paasvakantie zou vallen. Vagelijk meende ik mij namelijk te herinneren dat in dit dynamische tijdsgewricht ook op dit punt niet alles meer bij het oude was gebleven.

Op de website van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (OCW), die een overzicht biedt van de schoolvakanties in Nederland, wordt echter geen paasvakantie vermeld. Als verklaring hiervoor valt elders te lezen: ‘Het gebruik om de leerlingen de week na Pasen vrijaf te geven, is in Nederland de laatste jaren afgenomen ten gunste van de zogenaamde meivakantie. De paasvakantie blijft dan beperkt tot Goede Vrijdag en de Paasdagen.’ Niks uitslapen dus, maar kindergebrul. Want in dezelfde mate dat het aantal schoolvakantiedagen met Pasen is afgenomen, is het aantal door schoolkinderen geproduceerde decibellen in het assertieve Nederland de afgelopen jaren toegenomen, zoals Thomas Rosenboom al eens in pamfletvorm heeft uiteengezet. Ter vergelijking: in België zijn de scholen rond Pasen zelfs twee weken gesloten (en het aantal geproduceerde decibellen per kind is daar ook aanzienlijk geringer, maar dit terzijde).

Een motivering voor deze vakantieverschuiving heb ik nergens kunnen vinden en als ik het goed begrijp, geldt deze regeling voor alle scholen, dus ook voor de confessionele. Dat die laatste hiermee akkoord zijn gegaan, is helemaal onbegrijpelijk, maar verzet van openbare scholen zou evenmin misplaatst zijn geweest.

Pasen speelt als belangrijkste dag van het kerkelijke jaar een grote rol in de westerse traditie, die natuurlijk - al wordt dit feit uit antichristelijke motieven tegenwoordig in strijd met de historische waarheid nogal eens geloochend - überhaupt ondenkbaar is zonder het christendom. Niet alleen bepaalde Pasen met de andere christelijke feestdagen binnen én buiten de kerk het ritme van het jaar, ook heeft de paastijd door de eeuwen heen telkens opnieuw kunstenaars geïnspireerd tot creaties van niet het geringste belang; denk aan al die schitterende Stabat Maters, Passies, Avondmalen, Kruisingen, Grafleggingen, Pietà’s, etc. 

Door aan de paastijd geen schoolvakantie meer te koppelen en deze voor scholieren dus nauwelijks gemarkeerd te laten voorbijgaan, wordt de positie van deze ook cultureel belangrijke feestdag, waarvan velen nu al de betekenis niet meer kennen - zelfs veel letterenstudenten niet, als die er bij hun studie mee geconfronteerd worden, zoals Kees Fens jaren geleden reeds tot zijn verbijstering bij zijn colleges constateerde -, nog verder ondergraven en dreigt de breuk met de eigen culturele traditie definitief te worden.

Herstel van de paasvakantie zou dus een krachtig didactisch middel zijn om het belang van Pasen als cultureel baken te benadrukken en er zo een bijdrage aan te leveren, dat leerlingen van nu - die zich dan waarschijnlijk toch wel eens zullen afvragen waarom zij juist in deze tijd zoveel vrije dagen krijgen - straks niet even verloren door onze belangrijke musea dwalen als de gemiddelde Japanner, en dat in de toekomst beschamende situaties als die waarvan Fens sprak, worden voorkomen. Een middel dat bovendien niet alleen het Ministerie geen cent kost, maar ook de onderwijsgevenden geen enkele inspanning: men hoeft er zelfs niets voor uit te leggen. In één door zou zo ook de verdenking van een heimelijke ministeriële poging tot bevordering van nog verdere ontkerstening van het openbare leven worden weggenomen.

De geruisloze afschaffing van de paasvakantie is immers niet alleen een daad van barbarij en een zoveelste bewijs van dwaas onderwijsbeleid, maar wekt ook de indruk dat de slogan ‘Weg met Pasen’, die we kennen uit de folders van reisbureaus die trachten ons te verleiden met Pasen stedentripjes naar Praag, Parijs of Londen te maken, ook gebezigd wordt op het Ministerie. Met een zekere betekenisverschuiving dan en niet met een commercieel, maar met een ideologisch oogmerk. Een Ministerie overigens waarvan de leiding ongetwijfeld wel ieder jaar met uitgestreken gezicht in Naarden bij de Matthäus Passion beschaafd gaat zitten doen.



 Oorspronkelijk gepubliceerd in Katholiek Nieuwsblad rond Pasen 2011 (?)



zaterdag 16 maart 2013

On First Reading William Shakespeare in His Own Language



Als kind van weliswaar lieve, geduldige, maar niettemin ongeletterde ouders was ik voor mijn leescarrière geheel op mezelf aangewezen en heb ik, bij gebrek aan gids, als jongen mijn honger naar woorden en verhalen lange tijd met rotzooi pogen te stillen: veelal vervelende strips en lectuur vol geweld en broeierige passages voor onvolwassen volwassenen. Bij toeval ontdekte ik, toen ik een jaar of twaalf was, de van oorsprong Amerikaanse beeldverhalenserie Illustrated Classics, waarin werken uit de wereldliteratuur en -geschiedenis in stripvorm werden naverteld. Hoewel beeldverhalen in die dagen nog als pedagogisch zeer bedenkelijk werden beschouwd, vormden deze Classics voor mij een openbaring. In het bijzonder werd ik getroffen door het deeltje waarin de lotgevallen van ene Hamlet, prins van Denemarken, werden naverteld. Nog herinner ik me het plaatje waarop de vader van Hamlet, de Deense koning,  tijdens een dutje in zijn tuin, een brouwsel van bilzekruid, een dodelijk gif, in zijn oor kreeg gegoten door zijn broer, die belust was op de troon en de vrouw van de koning. Op het omslag zag je de jonge Hamlet door een geestverschijning van zijn vader worden aangespoord de moord op hem te wreken. Wat een fascinerend gegeven voor een jongen van twaalf!

Mijn liefde voor Shakespeare was geboren. Toen ik wat later schoorvoetend de weg naar de bibliotheek had gevonden, las ik hem in Nederlandse vertalingen. Ik was het Engels immers nog niet machtig. Maar hoe flets en krachteloos zelfs de beste daarvan waren, ervoer ik pas op de middelbare school, bij het vak Engels, en vooral nog later toen het mij lukte een tweedehands exemplaar van zijn Complete Works te bemachtigen. Wat voor Keats de eerste lectuur van de Homerus-vertaling van Chapman betekende (‘On First Looking into Chapman’s Homer’), was voor mij de eerste uitvoerige lezing van het origineel van mijn dear William: de rijkdom van zijn taal, zijn ritme, de beeldende kracht van zijn woorden, zijn meesterlijke toepassing van retorica, de  frisse metaforen, de afwisseling van zoete scherts, Ovidiaanse lichtzinnigheid en filosofische diepgang. Het riep – en roept nog steeds - een welhaast fysieke reactie bij mij op, zoals aangrijpende muziek dat soms kan doen, maar dat mij nauwelijks bekend is bij de lezing van enig ander auteur, en waarbij het zweet je haast uitbreekt. Het is een soort combinatie van verhoogde alertheid, esthetisch genot, vreugde over de perfecte verwoording en de magie van de enigszins archaïsche taal. Onlangs las ik dat modern neurolinguistisch onderzoek bevestigt wat ik persoonlijk, lang voor dat onderzoek, al bij mijzelf had geconstateerd: dat het brein dat wordt blootgesteld aan de taal van Shakespeare (‘the Shakespeared brain’) beter functioneert.

Toen, al weer vele jaren geleden, mijn vader was gestorven, moest ik, op zoek naar woorden voor op de rouwkrans, plotseling terugdenken aan Hamlet en heb ik het stuk, met niets steeds onbevochtigde ogen, herlezen. Ik kan het iedereen, die pas zijn vader heeft verloren, van harte aanbevelen. Wat een hemelse troost!

Bovenal echter hebben deze Complete Works of William Shakespeare mij geleerd wat taal vermag. Dat men het leven niet, zoals gebruikelijk in non-verbale milieus, zwijgend en dof hoeft te ondergaan, als koeien in de wei. Maar dat men zich als mens kan uitspreken in woorden en wat daarin schuilt aan schoonheid en kracht.



Over het geshakespearianiseerde brein: http://phys.org/news85664210.html

zie ook: http://www.nrc.nl/boeken/2013/01/17/wordsworth-en-shakespeare-zijn-raketmotoren-voor-de-hersenen/

Het effect zou met name een gevolg zijn van Shakespeare's gebuikmaking van 'functional shift' of 'woordsoort conversie', bijv. het gebruik van een zelfstandig naamwoord of bijvoeglijk naamwoord als werkwoord, wat meerdere hersengebieden zou stimuleren.

maandag 11 maart 2013

Een onwillekeurige associatie



De  recente uitspraak van het Arnhemse Hof over de Vordense dodenherdenking doet onwillekeurig denken aan de beruchte uitspraak van de Hoge Raad in 1942, waarin deze de deportatie van Nederlandse joden door de Duitse bezetter niet in strijd met de Nederlandse wet verklaarde. Hoe terecht is deze associatie?


Foto ANP
De uitspraak van het Arnhemse Hof inzake de Vordense dodenherdenking (d.d. 19-2-2013; LJN: BZ1166), waarin het Hof bepaalde dat de burgemeester van de gemeente waaronder dat dorp valt, overeenkomstig zijn wens, op 4 mei ook de daar begraven nazi-soldaten mee mag herdenken, doet, zoals ik recentelijk opmerkte in een eerder stukje over deze kwestie (The Post Online, 22-2-13), onwillekeurige denken aan het beruchte ‘Toetsingsarrest’ van de Hoge Raad uit 1942. Hierin bestempelde dit hoogste rechtsorgaan alle decreten van de bezettende macht als wetten in formele zin en dus tot Nederlands recht en verklaarde daarmee de vervolging en deportatie door de Duitsers van joodse Nederlanders niet in strijd met de Nederlandse wet.

De overeenkomst tussen beide uitspraken - met overigens onvergelijkbare gevolgen - is dat in beide gevallen morele kwesties aan de orde zijn, waarover een juridisch oordeel wordt geveld waarbij recht en moraal twee gescheiden zaken zijn: tegen vervolging van een bevolkingsgroep en tegen het herdenken van soldaten die streden voor een regime dat deze vervolging organiseerde en ook verder het absolute kwaad vertegenwoordigde, bestaan geen juridische bezwaren, dus krijgen deze handelingen de zegen van de rechter.

Hiermee raakt men aan een fundamentele kwestie in het recht: de grondslagen waarop dat recht is gebaseerd. Grofweg vanaf de 19e eeuw tot aan het einde van WOII werd algemeen de opvatting gehuldigd dat het recht slechts bestaat uit regels die de wetgever op procedureel juiste wijze uitvaardigt en die gekarakteriseerd worden door een aantal formele kenmerken. Hierbij bestaat geen noodzakelijk verband tussen recht en moraal of rechtvaardigheid, en kan de rechter dus gebonden zijn aan onrechtvaardige wetten.

Een engere variant van dit zogeheten rechtspositivisme (naar het Latijnse legem ponere - de wet vastleggen) is het ‘wetspositivisme’ of ‘legisme’, waarbij de formele wet als enige rechtsbron geldt, en de rechter geen rechtsvormende taak heeft, maar slechts de mond van de op dat moment geldende wet is. In dat kader dient men het Toetsingsarrest van de Hoge Raad te plaatsen. De raadsheren zelf waren, ondanks het feit dat zij zwaar collaboreerden, geen nazi-sympathiesanten, maar volgden, met als doel handhaving van de maatschappelijke orde, slechts strikt de onder de Duitse bezetting geldende wet, zoals zij dat eerder hadden gedaan met de Nederlandse wet.

Tegenover het rechtspositivisme staat van oudsher de leer van het natuurrecht, een rechtsopvatting waarin het recht wordt beschouwd als van nature gegeven, niet voortvloeiend uit de wil van een bepaalde overheid, en waarvan de regels en principes universele geldigheid bezitten en boven de regels van het positieve (= bestaande) recht gaan. Als gevolg van allerlei stromingen, waaronder het nationalisme, zag men in de loop van de 19e eeuw niets meer in het natuurrecht en bekeerde men zich tot het rechtspositivisme, dat evenwel mede oorzaak werd van een ontwikkeling welke leidde tot de blinde volgzaamheid (Gesetz ist Gesetz - regels zijn regels) die de onmenselijkheid van het nazi-bewind mogelijk maakte.

Na WOII drong algemeen het besef door dat om gruwelen als begaan onder het nazi-bewind in de toekomst te voorkomen een al te strikte scheiding tussen recht en moraal niet langer wenselijk was, en zijn natuurrechtelijke noties in de vorm van de mensenrechten die, als noviteit, in de delictsomschrijvingen bij de geallieerde tribunalen van Neurenberg en Tokio werden verondersteld, in 1948 tot universele mensenrechten verklaard en vervolgens juridisch gepositiveerd in internationale mensenrechtenverdragen als het BUPO-verdrag (1966) en het EVRM (1950).

De huidige Nederlandse rechtspraak is een mengvorm: zij is grotendeels rechtspositivistisch - de rechter oordeelt op grond van wetgeving en eerdere jurisprudentie, die voldoet aan formele criteria -, maar treedt tevens wetvormend op, waarbij ruimte is voor morele maatstaven. Al heeft het in Nederland met zijn sterk rechtspositivistische traditie nog decennia geduurd voor de nationale rechter het EVRM serieus nam.

De recente uitspraak van het Arnhemse Hof over de Vordense dodenherdenking, waarin dit het goedkeurt dat een gemeentebestuur, met als rechtvaardiging ‘verbroedering en verzoening’ en onder het motto dat in een oorlog eigenlijk iedereen slachtoffer is, in het kader van de Nationale Dodenherdenking ook strijders van de toenmalige Duitse bezettingsmacht wil herdenken, daarmee een trend wil zetten en aldus medewerking verleent aan een – ook educatief zeer onwenselijke – vorm van geschiedvervalsing*, op grond van formeel aandoende regels,** lijkt dan ook vooral een oude rechtspositivistische reflex.

Toch is dit niet het geval: het Hof maakt in werkelijkheid een - subjectieve - afweging op grond van de zogenaamde zorgvuldigheidsnorm uit artikel 162 van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek, dat heel vaag is***en op grond waarvan men dus ook tot een andere afweging had kunnen komen, zoals in eerste aanleg - de door dit arrest vernietigde uitspraak in kort geding van de Zutphense rechtbank (d.d. 4-5-2012; LJN: BW4958) - ook is gebeurd.

Het feit dat de recente uitspraak van het Hof doet denken aan het Toetsingsarrest uit 1942 wordt, zoals gezegd,  veroorzaakt door de discrepantie in beide uitspraken tussen recht en moraal. In 1942 echter bood de wet die door de collaborerende raadsheren met hun rechtspositivistische achtergrond in hun uitspraak blind werd gevolgd geen ruimte voor morele afwegingen. Nu deugt alleen het morele kompas van de Arnhemse hoger beroepsrechters niet.


 * waarbij, zoals bekend, de daders van toen (de in Vorden begraven nazi-soldaten) ook als slachtoffers van de oorlog worden voorgesteld en een schijnprobleem wordt opgelost: onze relatie met de huidige Duitsers is al goed. 
** Bijvoorbeeld dat er sprake was van ‘een duidelijke en tijdige aankondiging van de voorgenomen wijze van herdenken’ waardoor geen sprake zou zijn van onrechtmatig handelen ‘jegens bepaalde derden’, die bovendien niet behoorden tot ‘de (lokale) kring van mensen’ voor wie de herdenking wordt georganiseerd. 
*** Art. 162.2: Als onrechtmatige daad worden aangemerkt een inbreuk op een recht en een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht of met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt […].



vrijdag 22 februari 2013

Nederlandse bomen grotendeels vogelvrij

Gepubliceerd 3-5-2010 Katholiek Nieuwsblad

Nederlandse gemeenten lijden aan een acute aanval van misodendrie. Mocht je jarenlang je eigen conifeer in de achtertuin nog niet omhakken, na een geniepige wetswijziging zijn alle bomen nu opeens vogelvrij.


Er is nauwelijks ruchtbaarheid aan gegeven - ook niet door de Bomenstichting of vergelijkbare organisaties -, maar in de afgelopen jaren zijn bomen in Nederland door een stiekeme wijziging van Algemene Plaatselijke Verordeningen (APV's) van veel gemeenten op grote schaal vogelvrij verklaard en gedupeerde burgers van hun rechten beroofd.

Ik kwam er pas gisteren tot mijn ontsteltenis achter. Zonder dat er veel ruchtbaarheid aan is gegeven, heeft zich per 1 januari 2010 in het groenbeleid van de gemeente waar ik woon een revolutie voltrokken. Feitelijk is per die datum de kapvergunning voor bomen afgeschaft.

Moest men voor 1 januari van dit jaar als men een boom wilde kappen daarvoor altijd over een door de gemeente te verstrekken vergunning beschikken, sinds genoemde datum is dit nog slechts nodig in zeer uitzonderlijke gevallen, namelijk als het een boom betreft die door de gemeente op een lijst van beschermde bomen is gezet – een voorrecht dat slechts een zeer select gezelschap van bomen ten deel is gevallen – en die dan ook nog op een bepaalde hoogte een zekere dikte moet hebben. Of in de ambtelijke taal van de nieuwe ‘bomenverordening': het is nog slechts verboden ‘beschermde houtopstand’ te kappen.

De mogelijkheid tot bezwaar en beroep is de burger wiens leefomgeving door het vellen van bomen dreigt te worden aangetast dus in 80 of 90% van de gevallen ontnomen en de kaplustige bomenhater krijgt van het college alle ruimte.

Na enig speurwerk kwam ik erachter dat deze toestand van acute gemeentelijke misodendrie in mijn woonplaats niet uniek is. De Bomenstichting laat weten dat deze vogelvrijverklaring van vrijwel alle bomen in ongeveer de helft van alle Nederlandse gemeente recentelijk heeft plaatsgevonden. Deze beleidswijziging gaat terug op een plan van toenmalige staatssecretaris (van economische zaken!) Van Gennip (CDA), die gemeenten in 2006 aanmoedigde het modieuze begrip ‘deregulering’ ook op hun groenbeleid toe te passen om burger, bedrijf en ambtenaar de moeite van het aanvragen, respectievelijk verstrekken van een kapvergunning te besparen (en zo gemeenten de mogelijkheid te geven om door middel van kap op onderhoud van het groen te besparen en projectontwikkelaars nog meer de vrije hand te geven door tegenstribbelende omwonenden bij voorbaat elk juridisch handvat te ontnemen met een soort van Crisis- en herstelwet avant la lettre).

Zoals te verwachten, is over deze geniepige wijziging van de Algemene Plaatselijk Verordening (APV) - het venijn schuilt in het enkele woordje ‘beschermde’ (houtopstand), waar men geneigd is bij oppervlakkige lectuur overheen te lezen – door lokale media slechts in zeer beperkte mate bericht. Landelijke kranten en actualiteitenrubrieken volgden op grote schaal het voorbeeld der sufferdjes, zodat Nederland, dankzij dit voorstel van de partij van het rentmeesterschap, nog weer een flink stuk meer verworden is tot één grote tirannie van CO2 en beton.

donderdag 21 februari 2013

Houding Arnhems Hof echo duister verleden



Het Gerechtshof Arnhem heeft deze week in hoger beroep bepaald dat VVD-burgemeester Henk Aalderink van de gemeente Bronckhorst op 4 mei, de dag van de Nationale Dodenherdenking, in het Achterhoekse dorp Vorden, dat deel uitmaakt van die gemeente, rustig ook de daar begraven nazi-soldaten mee mag herdenken, langs hun graven mag defileren en daarop - samen met de inwoners van het dorp en hun kinderen - desgewenst bloemen leggen.

Dat waren het plaatselijke Comité 4 mei en de burgemeester vorig jaar ook al van plan, maar dat voornemen leidde toen tot grote, zelfs nationale en internationale commotie, en tot geruchten dat op grote schaal neonazi’s naar de Vordense dodenherdenking zouden komen, waarna de Federatie Joods Nederland (FJN) een kort geding aanspande en won, waarin het burgemeester en wethouders van Bronckhorst werd verboden op 4 mei langs de Duitse graven in Vorden te defileren.

Dit tot grote woede van de burgemeester, die daarop het beroep aantekende waarin afgelopen week door het Arnhemse Hof uitspraak werd gedaan, de burgemeester in het gelijk werd gesteld en de uitspraak in kort geding vernietigd.

Bij lokale herdenkingen, zoals die in Vorden, komt volgens de hoger beroepsrechters plaatselijke comité’s veel vrijheid toe. “De vraag wie en welke groeperingen daarbij op welke wijze worden herdacht, is een vraag op het terrein van de uitingsvrijheid van diegenen die tezamen wensen te herdenken.” Daar gaat de voorzieningen- (= kort geding)rechter niet over.  Ordehandhaving daarbij is primair een zaak van het lokale bestuur zelf, dat verantwoording aflegt aan de gemeenteraad. Slechts als er sprake is van grote onzorgvuldigheid, bijvoorbeeld “als met de voorgenomen wijze van herdenken wordt beoogd bepaalde personen, hun nabestaanden en/of nagedachtenis te kwetsen” is er een rol weggelegd voor de rechter. Tenminste als die gekwetste personen  behoren “tot de (lokale) kring van mensen…voor wie een dergelijke (lokale) herdenking wordt georganiseerd”. En dat is hier, aldus het Hof, niet het geval.

Prof. mr. Herman Loonstein van de FJN is uiteraard teleurgesteld over de uitspraak. “Je mag alleen klagen als je in de gemeente Bronckhorst woont. Dat is bizar, wrang en pijnlijk. Temeer daar veel Vordense joden tijdens WOII zijn vermoord door nazi’s.”
De legalistische opstelling van het Arnhemse Hof doet onwillekeurig denken aan een wel zeer zwarte pagina uit de geschiedenis van het Nederlandse recht, namelijk de oorlogsjaren, toen het illustere gezelschap van de Hoge Raad, dat toen, zoals de Raad het later zelf zeer eufemistisch uitdrukte, “in onvoldoende mate een verzetshouding (had) aangenomen”, zonder blikken of blozen verklaarde dat de vervolging en deportatie van joden “onder de huidige omstandigheden het karakter van wet in den zin der Nederlandse wetgeving niet (kan) worden ontzegd”.

Nu waren de consequenties van de uitspraak van de toenmalige Hoge Raad natuurlijk veel groter dan die van het huidige Arnhemse Hof en is de kans dat dit nazi-soldaten herdenkende burgemeestertje opnieuw een jodenvervolging zal gaan starten klein. Niettemin is hij wel bezig een kwalijke trend versterken, waarbij steeds duidelijker sprake is van een vervaging van de grens tussen slachteroffers en daders in WOII, van relativering van het kwaad uit de nazi-tijd, van desinteresse in morele vraagstukken  - wat in deze procedure gebeurt is feitelijk ook niets anders dan een morele kwestie terugbrengen tot een juridisch steekspel - en een zich opnieuw ontwikkelend antisemitisme.  

Tijdens de Dodenherdenking in Vorden in 2012 gebeurde er iets dat wat dat betreft zowel tekenend als huiveringwekkend is. Vrijwel alle bezoekers van de herdenking liepen langs de zerken van de daar begraven nazi-soldaten en sommigen legden er zelfs bloemen. Alleen de burgemeester, die zij zo hun steun betuigden, liep niet langs de Duitse graven omdat hem dat, tot zijn grote ergernis, als gevolg van de uitspraak in kort geding (nog) verboden was. Ook verschenen op regionale websites waarop over de gebeurtenis werd bericht tal van antisemitische uitlatingen en op een begraafplaats in het eveneens Achterhoekse Winterswijk werd op diezelfde avond van de vierde mei een Joods graf bespuugd.

Wat de uitspraak van het Hof nog wranger maakt, is dat deze zelfde burgemeester die door het Hof in het gelijk werd gesteld waar het geldt het op 4 mei herdenken van nazi-soldaten, in dezelfde week ook nog door tout bestuurlijk Nederland als “Beste lokale bestuurder van 2012” werd uitgeroepen. Een burgemeester die met wat wel genoemd is een ‘Moffenherdenking’ het weldenkende deel van zijn burgers schoffeert en dus faalt in zijn rol als ‘burgervader’, en die met zijn beleid de openbare orde in zijn gemeente in gevaar brengt door deze tot trekpleister voor neonazi’s te maken, die immers ook dol zijn op herdenkingen van gevallen Duitse soldaten uit de nazi-tijd!

Als tweede klap op de vuurpijl konden wij in deze zelfde week ook nog vernemen, dat deze Aalderink nu zelfs overweegt het regime, waarvoor de soldaten vochten die hij wil herdenken,  en dat tijdens de bezetting in het kader van de Arbeitseinsatz Nederlandse mannen gedwongen in Duitsland te werk stelde, na te volgen door werklozen uit zijn regio al dan niet verplicht eveneens in Duitsland te laten werken.

Na de uitspraak liet de FJN weten nog te twijfelen over in cassatie gaan. Mijnheer Loonstein doe dat alstublieft: deze waanzin in dit land van bestuurlijke zotheid moet worden gestopt!


                                              
Louis van Overbeek is freelance publicist en heeft destijds de zaak van de Vordense dodenherdenking aan het rollen gebracht met een artikel in het Katholiek Nieuwsblad van 27-04-12, dat een (inter)nationale rel veroorzaakte. Ook schreef hij in dezelfde krant een artikel over de vergeten collaboratie van de Hoge Raad met de Duitse bezetter (KN 02-05-08). Beide te vinden op de weblog 
louisvanoverbeek.blogspot.com

zaterdag 16 februari 2013

Henk Aalderink, de Moffen en de 'Lof der Zotheid'


16-2-13

De burgemeester van het Achterhoekse Bronckhorst wist afgelopen jaar populariteit te verwerven onder neonazi's met zijn plan op 4 mei ook de in zijn gemeente begraven nazi-soldaten te herdenken. Onlangs werd hij door bestuurlijk Nederland uitgeroepen tot 'Beste lokale bestuurder van het jaar 2012'.


Dat we in Nederland de laatste decennia bestuurd worden door een coalitie van zotten, graaiers en leeghoofden begonnen we intuïtief al wel te vermoeden.

Sinds kort hebben van de geestestoestand van onze bestuurders ook een glashard bewijs: de redactie van Binnenlands Bestuur, het ‘vakblad’ voor ambtenaren en bestuurders bij de overheid, heeft als beste lokale bestuurder van het jaar 2012 uitverkoren Henk Aaldrink, burgemeester van de Achterhoekse gemeente Bronckhorst, de man die in dat jaar de tijd rijp geworden achtte om de in zijn gemeente begraven nazi-soldaten op 4 mei, tijdens de Nationale Dodenherdenking, mede te herdenken, met dat voornemen een (inter) nationale rel creëerde, populariteit onder neonazi’s verwierf, en er alleen door middel van een kort geding van afgehouden kon worden zelfs mee te defileren langs de Duitse graven in zijn gemeente.

Laat u dit nieuwsfeit niet ontgaan en beleef zelf deze wel heel eigentijdse 'Lof der Zotheid' van Binnenlands Bestuur.


Lees vandaag 18-2-13 dat die Aalderink al weer een briljant plannetje heeft bedacht: zoals hij in zijn eigen gemeente Duitse soldaten uit WOII wil herdenken, zo wil hij nu Nederlandse werklozen uit zijn eigen regio in Duitsland tewerkstellen als bouwvakkers. http://www.gelderlander.nl/regio/achterhoek/plan-arbeiders-naar-keulen-valt-slecht-1.3674209

Binnenlands Bestuur heeft waarlijk de Zilveren Zotskap 2012/2013 verdiend.