donderdag 8 september 2016

Recent rapport FNV: Wmo-beleid Zutphen broddelwerk




Het was te verwachten: de gemeente Zutphen die bij de decentralisatie van overheidstaken het aantal uren huishoudelijke hulp in het kader van de Wmo (Wet maatschappelijke ondersteuning) bijna standaard halveerde zonder goede onderbouwing en zonder maatwerk te leveren, handelde hiermee, evenals tal van andere gemeenten, in strijd met de wet. Deze gemeenten zijn hierover dan ook in mei van dit jaar door de hoogste rechter op dit gebied, de Centrale Raad van Beroep (CRvB) en de staatssecretaris op de vingers getikt. De gemeente Zutphen vond niettemin desgevraagd dat haar beleid niet hoefde te worden bijgesteld. Op dit blog werd over dit alles eerder bericht op 26 mei jl.

Als vervolg op deze berispingen is zeer recent (dinsdag 6 september jl.) in opdracht van de FNV door de befaamde jonge jurist Kevin Wevers, onder de titel Onderzoek gemeentelijk Wmo-beleid, een vernietigend rapport gepubliceerd, dat een overzicht bevat van alle gemeenten met betrekking tot de vraag in hoeverre zij bij de toekenning van hun huishoudelijke hulp handelen conform de wet Wmo 2015 en de jurisprudentie.

De bevindingen aangaande de gemeente Zutphen zijn in dit rapport te vinden op pagina 100. Ik citeer:

151. Zutphen:*
Uit de informatie van de website kan worden opgemaakt dat wordt gewerkt met maatwerkvoorzieningen en indiceren in uren.

Een blik op de normtijden uit 2012 maakt duidelijk dat wordt gewerkt met verlaagde normtijden, zonder dat duidelijk is waar de verlaagde normtijden op zijn gebaseerd.

De normtijden wijken af voor zowel het lichte als zware werk en het verschil is vrij fors. Wellicht dat met de inwerkingtreding van de Wmo 2015 een nieuw protocol wordt gehanteerd, maar het lijkt ons uiterst onwaarschijnlijk dat de normtijden sindsdien zijn verhoogd.

Conclusie Zutphen: de verlaagde normtijden zullen waarschijnlijk niet standhouden. Alleen als blijkt dat de nieuwe normtijden tot stand zijn gekomen na goed, objectief onderzoek, uitgevoerd door derden die geen belang hebben bij de uitkomst van het onderzoek hebben, zal het protocol wellicht standhouden. Dit is vooralsnog een onwaarschijnlijke aanname.

Uit het geciteerde rapport blijkt dat maar liefst 77% van alle gemeenten (minstens 77%, sommige gemeenten weigerden botweg de benodigde gegevens te verschaffen aan de onderzoeker) zich bij de uitvoering van de Wmo niet aan de wet houdt. De gemeente Zutphen lijkt over dit wangedrag te denken zoals sommige automobilisten die in de slipstream van hun voorgangers door rood licht rijden: als degene voor mij het doet, kan ik het ook het wel maken.

Zie ook site van Reporter Radio op Radio 1:

http://www.nporadio1.nl/reporter-radio/onderwerpen/374024-reportersnl-70-van-de-gelderse-gemeenten-voldoet-niet-aan-de-wmo

zaterdag 20 augustus 2016

Nieuwswinter



Nederland is de laatste jaren, het is al van verschillende kanten opgemerkt, erg in zichzelf gekeerd geraakt. Het heeft, behalve als het volstrekt onontkoombaar wereldnieuws betreft (Brexit, Trump, etc.), nauwelijks meer belangstelling voor de rest van de wereld. Al langer is sprake van een ontwikkeling waarbij actualiteiten, achtergronden bij het nieuws of duiding een steeds kleinere plaats innemen bij de publieke omroep. Van een bont scala van actualiteitenrubrieken, zowel op radio als televisie, is nog slechts een schamel restje overgebleven, waarbij dan ook nog veel aandacht uitgaat naar sport, wat feitelijk geen nieuws, maar amusement is, en waarbij namen worden gebruikt als De Nieuws BV en Nieuws en Co, die eerder naar het bedrijfsleven dan naar de journalistiek verwijzen, en veelal gepresenteerd worden door voormalige diskjockeys. Deze zomer werd op dit vlak een dieptepunt bereikt.

De zomer van 2016 was immers vooral de zomer waarin de burger in Nederland door de publieke omroep onder de naam ‘sportzomer’ op tirannieke wijze op een streng dieet van sport, sport en nog eens sport werd gezet. Radio- en televisiezendtijd werd maandenlang vrijwel de klok rond gevuld met hysterische verslagen van voetbalwedstrijden, tennis, wielrennen, Olympische Spelen, zwemmen, atletiek en wat al niet, en de buitenwereld hield, hoewel zich daarin tal van historische gebeurtenissen voltrokken, bijna op te bestaan. Meer nog dan van een ‘sportzomer’ was er sprake van een ‘nieuwswinter’. Zelfs hoofdzakelijk uit vertier bestaande, maar soms een sprankje opinie bevattende talkshows werden van het scherm gebannen, hetgeen zelfs onze minister van Binnenlandse Zaken deed verzuchten dat actualiteit en debat kennelijk geen kerntaken van de publieke omroep meer waren.

Zelfs aan gebeurtenissen die zich afspeelden in ons directe buurland en plaatsvonden op een beleidsterrein waarop zich bij ons vergelijkbare ontwikkelingen hebben voorgedaan - de onder neoliberale invloed van de afgelopen decennia steeds verdere aanscherping van de regels in de sociale zekerheid - werd in de mainstream pers en media geen serieuze aandacht besteed.

Nadat het Duitse Constitutionele Hof (het Bundesverfassungsgericht) in Karlsruhe (het gerechtshof dat tot taak heeft om wetten in geval van twijfel aan de grondwet te toetsen) in 2010 het lage niveau van de Hartz IV-uitkering (de Duitse bijstand) ongrondwettig had verklaard, want niet verenigbaar met de menselijke waardigheid, en nadat uit berichtgeving in Spiegel Online (o.a. op 8 april jl.) was gebleken dat in meer dan één op de drie gevallen klagers tegen strafkortingen op hun uitkering door de Duitse rechter in het gelijk worden gesteld, oordeelde het Sozialgericht van Gotha (deelstaat Thüringen) op 26 mei 2015 dat het opleggen van strafkortingen aan bijstandsgerechtigden deze mensen onder het bestaansminimum drukt, en in strijd is met de eisen van de menselijke waardigheid, die in de Duitse Grondwet zijn verankerd.

Om deze reden werd de uitspraak doorverwezen naar het Bundesverfassungsgericht, dat in juni 2016 van mening bleek dat de rechters uit Gotha ‘gewichtige Fragen’ aan de orde stelden, maar het verzoek tot toetsing door het Hof op formele gronden afwees. De rechters uit Gotha hadden onvoldoende duidelijk gemaakt of de klager wel voldoende geïnformeerd was geweest over de gevolgen van zijn handelwijze (sancties), omdat de kwestie anders geen zaak zou zijn voor het Hof. Uit Gotha heeft men Karlsruhe inmiddels laten weten dat de klager wel degelijk op de hoogte was van de gevolgen van zijn handelen en men alsnog verzocht om toetsing.

Een interessante vraag is of men ook voor de Nederlandse praktijk iets kan leren van dit Duitse voorbeeld. Het sanctioneringregime is hier immers niet milder dan bij onze oosterburen. In het hier genoemde geval was sprake van een strafkorting van tweemaal 30, dus 60%. In Nederland bedragen strafkortingen in reactie op weigering van in het kader van de Participatiewet verplichte arbeid soms wel vrolijk 100%.

Een probleem is dat men in Nederland, hoewel dat zichzelf aanduidt als ‘zetel van het internationale recht’, een nationale wet, in dit geval de Participatiewet, anders dan in vrijwel elk ander Europees land, niet kan toetsen aan de Grondwet.[1] Hiervoor moet men in Nederland gebruik maken van de omweg van toetsing aan een Europees of internationaal verdrag, bijvoorbeeld het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). In dít verdrag is echter geen bepaling opgenomen waarop men zich in dit geval zou kunnen beroepen.

Daarvoor moet men zich wenden tot het Europees Sociaal Handvest (ESH), dat in artikel 13 bepaalt dat nationale staten ervoor dienen te zorgen dat iedereen recht kan doen gelden op adequate ondersteuning. Indien strafkortingen worden toegepast op mensen met een bijstandsuitkering komen dezen onder het bestaansminimum, wat strijdig is met de menselijke waardigheid en in strijd is met het Handvest. Iets vergelijkbaars geldt voor het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten (IVESCR), een verdrag van de Verenigde Naties, gebaseerd op de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, dat in artikel 11 mensenrechtelijke normen voor een behoorlijke levensstandaard formuleert. De bepalingen uit beide laatstgenoemde verdragen worden evenwel over het algemeen niet aangemerkt als ‘een ieder verbindend’. Men kan er dus geen beroep op doen bij een rechter. Uiteindelijk beslist de rechter daarover evenwel zelf. 

Laat ons vooralsnog eerst maar wachten op de uitspraak in Karlsruhe, die wellicht ook voor Nederland van belang is. Hopelijk is tegen die tijd de ‘sportzomer’ hier eindelijk voorbij en horen we er zelfs in Nederland iets van.


[1] Overigens is de situatie in Nederland, ontdekte ik toen ik met dit stukje bezig was, nog veel absurder. Zelfs al zou de rechter in Nederland wel aan de grondwet kunnen toetsen, dan nog zou hij daarmee in dit geval niets opschieten en zou hij het Sozialgericht Gotha niet kunnen navolgen: in Nederland is namelijk het begrip ‘menselijke waardigheid’, dat is vastgelegd in de preambule van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en de basis vormt van alle grondrechten, niet eens in de grondwet verankerd.

donderdag 16 juni 2016

Voor fraude veroordeelde wethouder weigert hulp terug te geven



De Gelderse gemeente Voorst is een van de vele gemeenten die, naar in mei van dit jaar bekend werd, fors geld heeft overgehouden aan de decentralisatie van overheidstaken in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo), waaruit onder andere de huishoudelijke hulp aan oudere en gehandicapte burgers wordt bekostigd. Deze zijn sinds vorig jaar immers van het rijk, onder toepassing van stevige bezuinigingen, overgedragen aan de gemeenten, die zelf ook flink het mes hebben gezet in het aantal uren hulp dat burgers nog krijgen toegewezen.

De nieuwe Wmo-taken hebben ook de gemeente Voorst, zo meldde de regionale krant de Stentor op 23 mei, ‘geen windeieren gelegd’. De gemeente hield hieraan 886.000 euro over.

Vervelend voor de gemeente is alleen, dat zij op een zodanige wijze gesneden heeft in het aantal eerder toegekende uren hulp - elke zorgontvanger moest een derde van zijn aantal uren inleven - dat dit juridisch niet door de beugel kan, en de gemeente deze uren moet teruggeven. Aldus immers de Centrale Raad van Beroep (CRvB), de hoogste rechterlijke instantie op dit gebied, op 18 mei jl. (ik vat samen): het korten op huishoudelijke hulp dient te berusten op objectieve criteria uit deugdelijk en onafhankelijk onderzoek en zonodig moet passend maatwerk worden geboden.

Dat dit in Voorst niet is gebeurd - daar is immers iedereen met een derde gekort -  maakt volgens de wethouder, Wim Vrijhoef  (D66), eerder wethouder en fractievoorzitter in Nijmegen en landelijk partijvoorzitter van D66, niet uit en aanpassingen zijn volgens hem niet nodig. 

Wethouder Vrijhoef van Voorst
In de Stentor van 14 juni verklaarde wethouder Vrijhoef: "Wie geen bezwaar maakte, ging akkoord met de korting. Daarmee hebben we dus een maatwerkoplossing geboden en geen algemene voorziening - die van de Raad niet mag." Een logica waarmee de wethouder niet alleen de wet en de uitspraak van de hoogste rechter aan zijn laars lapt, maar die ook rechtstreeks uit Alice in Wonderland lijkt te komen.


De hulpbehoevende burgers van Voorst zullen het dus moeten blijven doen met  hun uitgeklede zorg. Pikant hierbij is dat de wethouder die hen van de hulp waarop zij recht hebben berooft, Wim Vrijhoef, zo meldde de NOS op 23-4-14 onder de kop Ophef om strafblad D66-wethouder, eerder veroordeeld is tot een celstraf vanwege fraude met gemeenschapsgeld, waarbij hij als directeur van de Gelderse Ontwikkelingsmaatschappij 600.000 euro in eigen zak had gestoken.*

Het plaatselijke college van B&W, bestaande uit CDA, D66 en het lokale Gemeente Belangen, zag in het strafblad van een fraudeur met gemeenschapsgeld, die opnieuw de beschikking zou krijgen over publiek geld, kennelijk geen beletsel voor een wethouderspost in Voorst. 

* http://nos.nl/artikel/639340-ophef-om-strafblad-d66-wethouder.html


Zie ook de website Foute Politici:

http://www.foute-politici.nl/2014/10/wim-vrijhoef-d66.html

 

vrijdag 10 juni 2016

Dwangarbeid voor uitkeringsgerechtigden: ‘nieuwe burgerlijke verplichting’ Een slechte smoes


De werkelijkheid is lang en grondig verdrongen, maar zij heeft inmiddels toch zelfs de burelen bereikt van Wegener’s Couranten Bedrijf, de vader veler sufferdjes in dit land, al plaatsen die de term nog tussen aanhalingstekens: Nederlandse bijstandsontvangers worden al jaren geconfronteerd met gedwongen tewerkstelling en daarover ontstaat steeds grotere onvrede. Of, in de woorden van  bijvoorbeeld BN De Stem, De Gelderlander en De Stentor van 5 juni jl.: ‘Groeiende kritiek op “dwangarbeid” steuntrekkers’.
De dwangarbeid waarop gedoeld wordt is de zogenaamde ‘tegenprestatie’ die bijstandsgerechtigden door Rutte II geacht worden te leveren in ruil voor hun uitkering, maar die is in feite een aanscherping is van het beleid van de door Mark Rutte reeds in zijn hoedanigheid van staatssecretaris voorbereide Wet Werk en Bijstand (WWB), die al in 2004 van kracht is geworden.

Op 5 juni werd daartegen voor het eerst in Den Haag geprotesteerd door bijstandsgerechtigden, vakbonden en belangenbehartigers als de Bijstandsbond en het Comité Dwangarbeid Nee. Dit naar aanleiding van het debat dat die dag in de Tweede Kamer werd gehouden met staatssecretaris Klijnsma (PvdA) van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over de ‘tegenprestatie’ die mensen in de bijstand tegenwoordig moeten verrichten.

Opmerkelijk hierbij is dat door deze demonstranten wel steeds gesproken wordt over het misbruik van bijstandsontvangers dat gepaard gaat met deze gedwongen tewerkstelling (de uitbuiting die plaatsvindt door ze voor hun uitkering te laten werken en geen loon te betalen, de verdringing op de arbeidsmarkt die daarvan het gevolg is, de vernedering die ze zich moeten laten welgevallen, de willekeur die daarbij plaatsvindt en de erbarmelijke werkomstandigheden), en dat natuurlijk ook zeer onwenselijk is, maar niet of vrijwel niet over de kern van de zaak, namelijk het feit dat er in Nederland al bijna tien jaar weer, net als in de jaren dertig van de vorige eeuw, een praktijk van gedwongen tewerkstelling voor werklozen bestaat, die in strijd is met internationale mensenrechtenverdragen.

Veelal lijkt men van mening dat indien er een normale beloning tegenover de ‘tegenprestatie’ zou staan, deze niet langer dan 3 maanden zou duren, zij van beperkte omvang zou zijn, er gelet zou worden op persoonlijke omstandigheden en er geen sprake zou zijn van willekeur, gedwongen arbeid voor bijstandsontvangers wel acceptabel is.

De eenvoudige waarheid - die dankzij succesvolle neoliberale indoctrinatie klaarblijkelijk niemand meer beseft - is, dat verplichte arbeid, en daarmee ook het hele idee van die ‘tegenprestatie’, simpelweg verdragsrechtelijk verboden is, ook al zou zij niet lang duren, niet vernederend zijn en zou er wel een normaal loon voor worden betaald. Een staat die mensenrechtenverdragen heeft geratificeerd is nu eenmaal verplicht een bijstandsuitkering als laatste sociaal vangnet onder haar armlastige burgers gespannen te houden, zonder daarvoor iets terug te eisen.

In de aanloop naar het debat met de staatssecretaris heeft alleen SP-Kamerlid Karabulut op 2 april - na een bijna tienjarig jubileum van dwangarbeid in het huidige Nederland! - een Kamervraag gesteld waarin op deze kwestie wordt ingegaan: “Hoe verhoudt de tegenprestatie in de bijstand zich tot artikel 4 EVRM (verbod van slavernij en dwangarbeid) en het ILO-verdrag nr. 29 (gedwongen arbeid (EVRM: Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, ILO: International Labour Organisation)?”

In haar antwoord van 23 april herhaalt de staatssecretaris letterlijk het verweer van haar voorganger De Krom (VVD) in zijn zogenaamde ‘Nader rapport’ van 14 juni 2011 op de kritiek van de Raad van State in zijn advies over wat toen nog een wetsvoorstel was: de ‘tegenprestatie’ is ‘een nieuwe burgerlijke verplichting’ die valt onder de ‘normale burgerplichten’ waarvoor de internationale verdragen een uitzondering maken en zou daarom geen ‘gedwongen arbeid’ zijn in de zin van die verdragen.

Ik kan slechts herhalen wat ik naar aanleiding van het antwoord van de De Krom ook al heb opgemerkt: een ‘nieuwe burgerlijke verplichting’ is per definitie iets anders dan een ‘normale burgerplicht’, die immers niet net nieuw bedacht is om de wet te kunnen aanscherpen, maar iets dat traditioneel zo gezien wordt. Van het verplicht verrichten van (veelal geestdodende) onbetaalde arbeid valt moeilijk vol te houden dat het, zoals bijvoorbeeld  het ’s winters sneeuwvrij houden van je eigen stoepje, een ‘normale burgerplicht’ is, die ook de bakker, de slager en de administratief medewerker kan worden opgelegd. Waar van werk sprake is, komt immers het arbeidsrecht om de hoek kijken.

Twee opeenvolgende staatssecretarissen sturen de steller van een simpele vraag met hetzelfde kluitje in hetzelfde riet. Die ‘nieuwe burgerlijke verplichting’ is een slechte smoes.


Artikel verschenen op Konfrontatie Digitaal (22-6-2013) en The Post Online (24-6-2013). Vergeten hier eerder te plaatsen.

donderdag 26 mei 2016

Gemeente Zutphen houdt 2,5 miljoen euro over aan korten op huishoudelijke hulp



Begin april kwam in het nieuws dat Nederlandse gemeenten geld overhouden aan de decentralisatie van overheidstaken in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo), waaruit onder andere de huishoudelijke hulp aan oudere en gehandicapte burgers wordt bekostigd. Deze zijn sinds vorig jaar immers van het rijk, onder toepassing van stevige bezuinigingen, overgedragen aan de gemeenten, die zelf ook flink het mes hebben gezet in het aantal uren hulp dat burgers nog krijgen toegewezen. Zo ook in de gemeente Zutphen, waar het aantal uren bijna standaard gehalveerd is.

Omdat de plaatselijke krant hierover niet heeft bericht en hierin kennelijk niet is geïnteresseerd, heb ik als wakkere (en gedupeerde) burger, zelf maar eens geprobeerd na te gaan hoe hoog dit bedrag voor mijn eigen gemeente is. Het was een kwestie van flink aanhouden, maar uiteindelijk heb ik de informatie bij de afdeling communicatie van de gemeente boven water gekregen: ongeveer 2,5 miljoen euro.

Nu ik deze toch aan de lijn had, heb ik meteen maar even gevraagd naar een andere kwestie die ook samenhangt met de huishoudelijke hulp. Namelijk hoe de gemeente van plan is te reageren op de rechterlijke uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (de hoogste rechterlijke instantie op dit terrein) van 18 mei jl. waarin de rechter duidelijk maakte dat gemeenten, waar het de uitvoering van de Wmo betreft, twee dingen in ieder geval niet mogen doen: 1. de huishoudelijke hulp helemaal schrappen onder aanvoering van de stelling dat die niet onder de Wmo valt, en 2. (interessant voor de gemeente Zutphen) korten op het aantal uren huishoudelijk hulp zonder deugdelijke onderbouwing en zonder maatwerk te leveren.

Reactie van de (woordvoerder van) de gemeente Zutphen: “O, daar hoeven wij ons geen zorgen over te maken, want wij leveren al maatwerk.” Dit laatste is echter aantoonbaar niet het geval. Het voert te ver hier op de juridische onderbouwing van deze stelling in te gaan, maar die ligt in mijn bureaula en bij mijn advocaat.

De gemeente Zutphen kan zich beter maar wel zorgen maken. Staatssecretaris van Rijn (VWS, PvdA) heeft de dag na de rechterlijke uitspraak in een debat met de Tweede Kamer al aangekondigd ‘foute gemeenten’, die hun beleid niet aanpassen, daartoe te zullen dwingen. In de gemeente Amsterdam krijgen Wmo-cliënten hun oude aantal uren huishoudelijke hulp al per 1 juni terug.

Interessant in de kwestie Zutphen is trouwens nog dat de lokale uitvoeringsinstantie ‘Het Plein’, dat verantwoordelijk is voor sociale overheidstaken - en dus ook voor de Wmo - maar waar een totale bestuurlijke chaos heerst, nadat het eerder al 1,1 miljoen euro heeft ontvangen ter bestrijding van deze chaos, volgens de verantwoordelijke wethouder nu nog eens 2,1 miljoen moet krijgen voor datzelfde doel. Terwijl het dus ook al 2,5 miljoen beter is geworden aan het korten op de huishoudelijke hulp van zijn burgers.


dinsdag 24 mei 2016

Een verlichte meerderheid



Waarschijnlijk (en hopelijk) zullen we over enkele decennia (maar liever al veel eerder) stomverbaasd zijn dat we dan nog maar zo kortgeleden in overgrote meerderheid zulke ongehoorde denkbeelden aanhingen. Dat we de kleine minderheid die het daar niet mee eens was als ouderwets en niet goed wijs beschouwden en onszelf als progressieve en verlichte geesten.

Dat we meenden - ik noem slechts twee van onze vele hedendaagse dwaasheden - dat we ons, door van bijstandsgerechtigden al meer dan een decennium een verplichte ‘tegenprestatie’ te verlangen in ruil voor hun uitkering, als samenleving helemaal niet schuldig maakten aan het opleggen aan medeburgers van in mensenrechtenverdragen verboden dwangarbeid. En we niet wilden beseffen dat we door dementerende en dus wilsonbekwame ouderen, liefst en plein public op de televisie te euthanaseren, feitelijk de moordenaars waren van mensen op wier zorg we eerst zwaar hadden bezuinigd, en op wie we door het propageren van zo’n ‘waardig sterven’ zware sociale druk uitoefenden om ook voor deze  kille en stiekem uitsluitend op budgettaire motieven gebaseerde ‘oplossing’ te kiezen.

Dat we ons lieten wijsmaken dat die recente door de rijksoverheid en artsenfederatie KNMG opgestelde ‘Handreiking schriftelijk euthanasieverzoek’ werkelijk ‘slechts een verduidelijking van de euthanasiewet’ was, zoals de overheid stelde, en niet een verdere verruiming daarvan en een zoveelste nieuwe handreiking aan Magere Hein, waarbij het mogelijk werd iemand te doden die weliswaar in het verleden een verzoek heeft gedaan tot euthanasie onder bepaalde omstandigheden, maar dit verzoek nu niet kan of wil herhalen.

Dat we geloofden dat de benoeming door de ministers van Volksgezondheid en Justitie van D66-jurist Jacob Kohnstamm als voorzitter van de Regionale Toetsingscommissie Euthanasie, gezien zijn ‘affiniteit met het onderwerp’ de gewoonste zaak van de wereld was, ook al bestond die ‘affiniteit’ er enkel uit dat hij van 2000 tot 2006 voorzitter geweest van de Nederlandse Vereniging voor een Vrijwillig Levenseinde (NVVE) en tussen 2002 en 2006 bestuurslid van de World Federation of Right to Die Societies, een samenwerkingsverband van verschillende internationale organisaties, waaronder de NVVE, die een liberaler euthanasiebeleid voorstaan. Met de benoeming van deze man als voorzitter houdt de toetsingscommissie, die moet beoordelen of een arts die euthanasie heeft uitgevoerd zich heeft gehouden aan de wettelijke zorgvuldigheidseisen, zelfs niet de schijn van  onpartijdigheid op.

Hopelijk is met het bereiken van dergelijke uitwassen het punt bereikt waarop we binnen afzienbare tijd tot bezinning komen en ons voor onze kop zullen slaan van spijt en schaamte, zoals velen dit zich al beginnen te doen met onze nog recente opvattingen over privatisering en marktwerking,  en zoals ons buurvolk zich dit al een jaar of zestig geleden deed met betrekking tot hun hele ideologie. Al zullen dan wel inmiddels duizenden van onze landgenoten door ons in vrijwel alle gemeentes in ons land onterecht, en zelfs zonder dat een rechter zich ertegen heeft uitgesproken, aan de dwangarbeid gezet, of naar Hades’ donkere woning gevoerd zijn. Keizers dragen nog steeds graag nieuwe kleren.

Een voorzichtige kentering lijken we gelukkig eindelijk te kunnen waarnemen: de commissie die onderzoek deed naar hulp bij zelfdoding onder leiding van oud SCP-directeur Paul Schnabel, heeft, ondanks het feit dat deze op de lijst van euthanasiepartij D66 voor de senaat staat, onlangs geadviseerd de mogelijkheden hiertoe niet verder te verruimen. En onder andere NRC-Handelsblad meldde op 12 februari jl. dat twintig gemeenten, waaronder Amsterdam, weigeren nog langer hun bijstandsontvangers de door het Rijk verplichte dwangarbeid op te leggen.


Eerder geplaatst op de website Konfrontatie 27-2-2016

zaterdag 23 april 2016

Gehysteriseerde hondenbaasjes



Hoewel de misdaadcijfers al jaren een dalende lijn vertonen, neemt het aantal plaatsen waar burgers zich verenigen om in hun woonomgeving als ‘burgerwachten’, ook wel ‘buurtwachten’ of ‘buurtpreventieteams’ genoemd, te patrouilleren, en zo, al dan niet voorzien van honkbalknuppels, criminele elementen af te schrikken, of om als digitale buurtwachten in WhatsApp-groepjes verdachte situaties te signaleren, gestaag toe.

Soms doen deze burgers dat uit eigen beweging, maar vaak ook worden zij daartoe opgeroepen door de plaatselijke politie, bijvoorbeeld omdat zij een hond in huis hebben die regelmatig uitgelaten moet worden, het baasje de buurt dus goed kent en hij uiterst geschikt is om, als hij iets ongewoons ziet, dit te melden aan het bevoegd gezag. Sommige politieregio’s gaan zelfs zover bij dit ronselen van hondenbaasjes als burgerwachten, dat zij deze persoonlijk benaderen (kennelijk met privacy-informatie afkomstig uit de, onlangs opnieuw lek gebleken, gemeentelijke basisadministratie; hoe weten zij immers anders precies wie een hond houdt en wie niet?) met een uitnodiging lid te worden van zo’n burgerwacht en hen, als zij hierop ingaan, belonen met een halsbandje met daarop de geinige tekst ‘Ruik je onraad – bel 112’.

De overheid ziet het kennelijk als haar taak de burger, die toch al voortdurend geconfronteerd wordt met propaganda over ‘participatie’ (waarvan het patrouilleren als burgerwacht immers ook een vorm is), een eindeloos gehamer op veiligheid, waarbij zelfs het Ministerie van Justitie is omgedoopt in Ministerie van Veiligheid en Justitie, en met allerlei televisieprogramma’s over de opsporing van criminelen, zonder dat daartoe enige aanleiding is, een veiligheidshysterie te laten ontwikkelen, zijn medeburger bij voorbaat als verdachte te laten zien en eigenrichting te bevorderen.

Dit alles zal er ongetwijfeld toe leiden dat het aantal inbraken afneemt in de buurten in kwestie, maar hiervoor betalen we wel een prijs: het conformisme wordt verder bevorderd (alles wat afwijkt van de norm wordt immers meteen als ‘verdacht’ aangemerkt), de vreemdelingenhaat, die de laatste jaren toch al ongekende vormen heeft aangenomen, wordt nog verder aangewakkerd, de kans op eigenrichting, al dan niet met behulp van honkbalknuppels, wordt vergroot, evenals de kans dat burgerwachten zich ontwikkelen tot knokploegen en zelfs tot rekruteringsplaatsen van extreem-rechts, zoals men in Duitsland al zag gebeuren.* Paradoxalerwijs wordt door de aanwezigheid van burgerwachten niet alleen het gevoel van veiligheid, maar ook dat van onveiligheid versterkt: ‘Als er gepatrouilleerd wordt door een buurtwacht, zal het hier wel niet pluis zijn’. Of: ‘Misschien vinden ze mij ook wel verdacht.’

Nu al lees je verhalen over argeloze collectanten (die ervan verdacht worden ‘nep-collectanten’ te zijn, niet verbonden aan een goed doel) en mensen met een allochtone achtergrond die met knuppels worden achtervolgd of van een vroege krantenbezorger die tot zijn ontsteltenis plotseling omringd wordt door een grote groep alerte buutbewoners die een inbreker op heterdaad hopen te betrappen.

Hondenbaasjes en andere burgers van Nederland: laat je niet hysteriseren. Maak een frisse wandeling met je blije blaffer en maak af en toe een vriendelijk praatje met de vreemde snuiter die je pad kruist. 


* Zie het artikel van  Jos van Dijk  op de website Sargasso, 15-1-2016: http://sargasso.nl/amerikaanse-toestanden/